De of het seizoen?
het seizoen
Betekenis
a season, major part of the year
- Meervoud
- de seizoenen
- Verkleinwoord
- het seizoentje
- Aanwijzend
- dit seizoen / dat seizoen
- Met bijvoeglijk naamwoord
- een mooi seizoen / het mooie seizoen
het seizoen
a season, major part of the year