Ga naar de hoofdinhoud
Inburgering.org
Cursussen
Exameninfo
Podcasts
Gratis
🇳🇱
Nederlands
Inburgering.org
/
Grammar
Dutch grammar
One rule per page — explained with examples, then a short quiz.
All levels
A1
A2
B1
B2
C1
Verbs
39
Nouns & articles
19
Adjectives
8
Adverbs
6
Pronouns
24
Prepositions
9
Conjunctions
12
Numbers
5
Negation
3
Questions
3
Word order
19
Spelling
14
Tricky pairs
12
Verbs
Verleden tijd: regelmatige werkwoorden
Werkwoordstam: vier spellingregels
Onvoltooid tegenwoordige tijd
-dt-regel voor werkwoorden
Voltooid deelwoord vormen (ge- ... -d/-t)
Voltooid tegenwoordige tijd
Voltooid verleden tijd
Toekomende tijd: zullen en gaan
zou en zouden
Voltooid toekomende en voorwaardelijke tijd
hebben of zijn in de voltooide tijd
Modale werkwoorden
te + infinitief
Kale infinitief
om ... te + infinitief
Duurvorm met aan het
Positionele duurvorm
IPP-regel (infinitivus pro participio)
Scheidbare werkwoorden: heden en verleden
Voltooid deelwoord: scheidbare werkwoorden
Onscheidbare werkwoorden
Scheidbare of onscheidbare werkwoorden?
zijn en hebben
Veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden
Klinkerpatronen van sterke werkwoorden
Gebiedende wijs
Lijdende vorm met worden en zijn
Bijvoeglijk gebruikt tegenwoordig deelwoord
Infinitieven als zelfstandig naamwoord
Onpersoonlijk passief: er wordt gewerkt
dienen te en behoren te
Modale zekerheid en horen zeggen
te + infinitief voor kunnen en moeten
Het krijgen-passief
Congruentie na een aantal
blijken, lijken, schijnen + te
Causatief laten en doen
Congruentie bij nevengeschikte onderwerpen
De overgebleven aanvoegende wijs
Nouns & articles
de of het?
Zelfstandige naamwoorden met het
Zelfstandige naamwoorden met de
een of geen lidwoord
Veelvoorkomende lidwoordpatronen
Meervoud op -en
Meervoud op -s en -'s
Meervoud op -s of -en?
Onregelmatige en leenwoordmeervouden
Verkleinwoorden
Uitgangen van verkleinwoorden
Onregelmatige verkleinwoorden
Samenstellingen
Tussenletters in samenstellingen
deze, die, dit en dat
Bezit met van en -s
Landen en nationaliteiten
Versteende naamvalsvormen: des, der, ten
Zinnen omzetten in naamwoordgroepen
Adjectives
Bijvoeglijke naamwoorden met -e
Bijvoeglijke naamwoorden zonder -e
Vergrotende en overtreffende trap
Onregelmatige trappen van vergelijking
Vergelijken met dan en als
Bijvoeglijke naamwoorden zonder naamwoord
Onverbogen bijvoeglijke naamwoorden
Uitgebreide bepalingen met een deelwoord
Adverbs
Modale partikels
Verbindende bijwoorden en inversie
Graadbijwoorden
Verbindende bijwoorden en woordvolgorde
Focuspartikels en hun bereik
Zekerheidsbijwoorden en hun plaats
Pronouns
Onderwerps- en voorwerpsvoornaamwoorden
Bezittelijke voornaamwoorden
Zelfstandige bezittelijke voornaamwoorden
Wederkerende voornaamwoorden
Aanwijzende voornaamwoorden zonder naamwoord
Betrekkelijke voornaamwoorden die en dat
Betrekkelijke voornaamwoorden met voorzetsel
Vragende voornaamwoorden
Onbepaalde voornaamwoorden
alle, allemaal, elk en ieder
een paar, enkele, weinig en veel
zo'n, zulke en dergelijk(e)
Uitroepen met wat en hoe
hen, hun of ze als voorwerp
Verkorte en beklemtoonde voornaamwoorden
elkaar: wederkerigheid
Het als loos onderwerp
Voorlopig het vóór een bijzin
Zinsverband met waardoor en waarbij
Betrekkelijk en zinsverwijzend wat
degene die, datgene wat en wie
van wie, wiens, wier en waarvan
Terugverwijzen naar zaken en organisaties
Formeel betrekkelijk welke
Prepositions
er is en er zijn
Hoeveelheids-er
er met een voorzetsel
Kernvoorzetsels
Vaste werkwoord-voorzetselcombinaties
geleden, over en binnen
Voorzetsels van plaats
er + voorzetsel vóór een bijzin
Vaste voorzetsels: trots op, behoefte aan
Conjunctions
Nevenschikkende voegwoorden
Onderschikkende voegwoorden
want, omdat of doordat?
toen, als of wanneer?
Beknopte bijzinnen met te
Formele voorwaarden: indien, mits, tenzij
Toegeving: hoewel, ook al, ondanks
Reeksvormers: zowel ... als
nadat, zodra, totdat en de tijdsregel
Graad en gevolg: zo ... dat
Beknopte deelwoordzinnen
of na een ontkenning: balansschikking
Numbers
Hoofdtelwoorden
Rangtelwoorden
Klokkijken
Dagen, maanden, datums
Prijzen, decimalen en hoeveelheden
Negation
niet of geen?
Plaats van niet
al, nog, nog niet, niet meer
Questions
Ja/nee-vragen
Vraagwoorden
welke en wat voor (een)
Word order
Zinsframe (tangconstructie)
Woordvolgorde in de hoofdzin
Werkwoord op de tweede plaats (V2)
Inversie
Tijd–Wijze–Plaats
Werkwoordgroepen aan het zinseinde
Plaats van scheidbare voorvoegsels
Werkwoord achteraan in de bijzin
Woordvolgorde: relatieve en indirecte zinnen
Plaats van objectvoornaamwoorden
Plaats van het lijdend voorwerp
Achterzetsels na de werkwoordgroep
Voorwaarde zonder als: Mocht je ...
Volgorde in een groep van drie werkwoorden
Bijzinnen na de werkwoordgroep
Aanloop en uitloop buiten de zin
Deelwoord of infinitief voorop
De werkwoordgroep onderbreken
Samentrekking: woorden weglaten
Spelling
Alfabet en hardop spellen
Lettergreepverdeling
Klinkerlengte: open en gesloten lettergrepen
Dubbele en enkele klinkers
v wordt f, z wordt s
Woordeinde: -d of -t?
Trema
Apostroffen
Accenttekens
Hoofdletters
Koppelteken in samenstellingen
Woordgroepen binnen samenstellingen
Engelse leenwoorden in samenstellingen
Hoofdletters bij instellingen en functies
Tricky pairs
jou of jouw?
dan of als?
Beleefdheidsvormen met u
hen, hun, zij en ze
-n-regel: sommige of sommigen
dezelfde of hetzelfde?
Werkwoordsuitgangen: -d, -t of -dt
naar ... toe en ... heen
10 veelgebruikte uitdrukkingen
hoeven of moeten?
kennen, kunnen en weten
Werkwoorden voor positie en plaatsing
No rules match your search