Inburgering.org Logo

Inburgering.org

  • Cursussen
  • Exameninfo
  • Podcasts
  • Gratis
Inburgering.org Logo

Inburgering.org

Prijzen

Exameninfo

Podcasts

Grammatica

Privacybeleid

Algemene voorwaarden

Veelgestelde vragen

Contact

Partners

Luisteren

A1

A2

B1

B2

Lezen

A1

A2

B1

B2

Spreken

A1

A2

B1

B2

Schrijven

A1

A2

B1

B2

Inburgering

A1

A2

B1

B2

KNM

KNS

Hulp nodig?
Neem contact met ons op via info@inburgering.org

Word lid van onze community:

Instagram

Oefenbot

Telegram-groep

Facebook-groep:

A1

A2

B1

B2

Telegram-kanalen:

A1

A2

B1

B2

ยฉ 2026 Inburgering.org. Alle rechten voorbehouden.

Inburgering.org/Grammar/Ja/nee-vragen in het Nederlands: zet het werkwoord voorop

Ja/nee-vragen in het Nederlands: zet het werkwoord voorop

Vorm een Nederlandse ja/nee-vraag door de persoonsvorm voorop te zetten (Werk jij?), en antwoord met ja, nee of jawel.

Een ja/nee-vraag (een gesloten vraag) kun je met ja of nee beantwoorden. In het Nederlands zet je daarvoor het werkwoord voorop: Werk jij?

Hoe maak je het

Neem de bewering en zet de persoonsvorm โ€” het vervoegde werkwoord โ€” vooraan, vรณรณr het onderwerp. Anders dan in het Engels voegt het Nederlands geen hulpwoord toe: er is geen equivalent van do of does.

  1. Begin met de bewering: Jij werkt in Amsterdam.
  2. Wissel het onderwerp en de persoonsvorm om, zodat het werkwoord vooraan staat: Werk jij in Amsterdam?
  3. Zet er een vraagteken achter. Verder verandert er niets โ€” het werkwoord staat nog steeds op de tweede plaats die het in het Nederlands altijd heeft, alleen komt het onderwerp er nu achter (zie de regel van het werkwoord op de tweede plaats).
BeweringJa/nee-vraag
Jij werkt.Werk jij? / Werk je?
Hij komt.Komt hij?
Wij hebben tijd.Hebben wij tijd?
Jij bent klaar.Ben jij klaar?

De -t valt weg na het werkwoord bij jij/je

Als jij of je meteen na het werkwoord komt, verdwijnt de -t die jij normaal heeft: jij werkt maar Werk jij? / Werk je? Dit gebeurt alleen bij jij/je, en alleen als het na het werkwoord staat. Bij hij of zij blijft de -t staan: Werkt hij? Hetzelfde gebeurt bij onregelmatige werkwoorden โ€” jij bent wordt Ben jij?, en jij hebt wordt Heb jij? Meer over deze uitgang in de tegenwoordige tijd.

Antwoorden met ja, nee en jawel

  • Bij een gewone vraag antwoord je met ja of nee: Werk je? โ€” Ja. / Nee.
  • Gebruik jawel om een ontkennende vraag positief te beantwoorden. Kom je niet? โ€” Jawel, ik kom. Jawel werkt als het Duitse doch of het Franse si: het gaat in tegen de ontkenning.
  • Binnen een zin is wel de positieve tegenhanger van niet: Ik werk niet. โ€” Je werkt wel.

Veelgemaakte fouten

Wie Engels spreekt, grijpt al snel naar een do-hulpwoord, omdat je in het Engels Do you work? zegt. Het Nederlands kent zo'n woord niet. Maak dus geen Doe jij werken? โ€” het werkwoord zelf gaat naar voren: Werk jij? Draai gewoon het onderwerp en de persoonsvorm om, en je hebt je vraag.

  • Maak van *Jij hebt een fiets.* een ja/nee-vraag.
    • Heb jij een fiets?
    • Hebt jij een fiets?
    • Doe jij een fiets hebben?
    • Jij hebt een fiets?

    Zet het werkwoord voorop, en de *-t* valt weg na *jij* โ†’ *Heb jij een fiets?* (*jij hebt* โ†’ *heb jij*).

  • Welke ja/nee-vraag is correct?
    • Werk hij hier?
    • Werkt hij hier?
    • Werken hij hier?
    • Doet hij hier werken?

    De *-t* valt alleen weg bij *jij/je*, niet bij *hij*. Dus *hij* houdt hem โ†’ *Werkt hij hier?*

  • Waarom wordt *jij werkt* in een vraag *werk je*?
    • omdat *je* na het werkwoord komt, dus valt de *-t* weg
    • omdat *werken* onregelmatig is
    • omdat vragen altijd de kale stam gebruiken
    • omdat *je* meervoud is

    Als *jij/je* meteen na het werkwoord komt, verdwijnt de *-t* โ†’ *Werk je?* Bij *hij* zou hij blijven staan: *Werkt hij?*

  • Iemand zegt *Je komt toch niet?* โ€” maar je komt wel. Welk antwoord past?
    • Nee, ik kom.
    • Ja, ik kom niet.
    • Jawel, ik kom.
    • Nee, ik kom niet.

    *Jawel* spreekt een ontkennende vraag tegen: *Jawel, ik kom.* Een gewoon *ja* zou hier te zwak zijn.

  • Zoek de fout: *Doe jij van koffie houden?*
    • Er is niets mis.
    • Het moet *Houd jij van koffie?* zijn โ€” het Nederlands heeft geen *doen*-hulpwoord
    • Het moet *Jij houdt van koffie?* zijn
    • Het moet *Houdt jij van koffie?* zijn

    Het Nederlands maakt ja/nee-vragen zonder *do*-woord; het werkwoord gaat naar voren en de *-t* valt weg na *jij* โ†’ *Houd jij van koffie?*

Test jezelf

Question 1 of 5

Maak van Jij hebt een fiets. een ja/nee-vraag.

See also

  • Nederlandse vraagwoorden: wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom
  • De verb-second-regel (V2) in het Nederlands
  • De onvoltooid tegenwoordige tijd en hoe je hem gebruikt