Inburgering.org Logo

Inburgering.org

  • Cursussen
  • Exameninfo
  • Podcasts
  • Gratis
Inburgering.org Logo

Inburgering.org

Prijzen

Exameninfo

Podcasts

Grammatica

Privacybeleid

Algemene voorwaarden

Veelgestelde vragen

Contact

Partners

Luisteren

A1

A2

B1

B2

Lezen

A1

A2

B1

B2

Spreken

A1

A2

B1

B2

Schrijven

A1

A2

B1

B2

Inburgering

A1

A2

B1

B2

KNM

KNS

Hulp nodig?
Neem contact met ons op via info@inburgering.org

Word lid van onze community:

Instagram

Oefenbot

Telegram-groep

Facebook-groep:

A1

A2

B1

B2

Telegram-kanalen:

A1

A2

B1

B2

© 2026 Inburgering.org. Alle rechten voorbehouden.

Inburgering.org/Grammar/De onvoltooid tegenwoordige tijd en hoe je hem gebruikt

De onvoltooid tegenwoordige tijd en hoe je hem gebruikt

Hoe je de tegenwoordige tijd vervoegt — ik = stam, jij/hij = stam + t, meervoud = infinitief — en wanneer je hem gebruikt.

De onvoltooid tegenwoordige tijd is de alledaagse tijd voor wat nu waar is of regelmatig gebeurt: ik werk, hij woont in Utrecht. Hij wordt gebouwd op de werkwoordstam.

Hoe vorm je hem

Gebruik de stam voor ik, voeg -t toe aan de stam voor jij en hij/zij/het, en gebruik de hele infinitief voor alle meervoudsvormen.

  1. ik → stam: ik werk, ik woon.
  2. jij / je, hij / zij / het en u → stam + -t: jij werkt, hij woont, u werkt.
  3. wij, jullie, zij (meervoud) → de infinitief: wij werken, jullie wonen, zij werken.
Onderwerpwerken (stam werk)wonen (stam woon)
ikwerkwoon
jij / u / hij / zij / hetwerktwoont
wijwerkenwonen
julliewerkenwonen
zij (meervoud)werkenwonen

Twee spellingpunten volgen uit de stamregels. Als de stam al op -t eindigt, voeg je er geen tweede toe: rusten → hij rust, praten → hij praat. Een stam die op -d eindigt, krijgt ook de -t, ook al is die uitgang niet te horen als je het woord hardop zegt: rijden → hij rijdt, houden → jij houdt. Die valkuil heeft een eigen pagina: de -dt-regel.

Inversie: wanneer jij de -t verliest

Als jij of je direct na het werkwoord komt, verdwijnt de -t en houd je de kale stam over.

  • Normale volgorde, onderwerp eerst: Jij werkt hard.
  • In een ja/nee-vraag, werkwoord eerst: Werk jij morgen? — niet werkt jij.
  • Als er iets anders vooraan staat: Vandaag ga je naar huis.

Dat wegvallen gebeurt alleen bij jij/je en alleen als het na het werkwoord komt. Elk ander onderwerp houdt de -t: Werkt hij?, Komt u?. De reden dat het werkwoord überhaupt verschuift, is de regel van de tweede plaats, die de persoonsvorm op de tweede plek in de zin houdt.

Wanneer gebruik je hem

De Nederlandse tegenwoordige tijd bestrijkt meer terrein dan zijn Engelse tegenhanger, die vaak overschakelt op is/are + -ing of op een aparte toekomstvorm. Dit zijn de belangrijkste taken die hij vervult:

  • Vaste gewoontes en routines: Zij belt haar moeder elke zondag. Ik sport twee keer per week.
  • Iets wat op dit moment aan de gang is, waar het Engels is/are + -ing zou gebruiken: De baby slaapt. Ik drink koffie.
  • Een gepland toekomstig voorval, samen met een tijdwoord: Morgen vertrek ik naar Berlijn. Volgende week begint de cursus.
  • Algemene waarheden en als-voorwaarden: Water kookt bij honderd graden. Als je oefent, word je beter.

Als een situatie eerder begon en nog steeds doorgaat, blijft het Nederlands in de tegenwoordige tijd waar het Engels naar have + voltooid deelwoord grijpt. Het woord al signaleert deze lezing meestal: Ik werk hier al vijf jaar.

Veelgemaakte fouten

Twee fouten komen vaak voor. Ten eerste: een -t toevoegen aan de ik-vorm: het is ik werk, nooit ik werkt. Ten tweede: de -t houden op jij in een vraag: het is Werk jij?, niet werkt jij?. Als jij vóór het werkwoord staat, komt de -t terug: Jij werkt.

  • Vul in: *Ik ___ in Amsterdam.* (wonen)
    • woont
    • woon
    • wonen
    • woonen

    De *ik*-vorm is de kale stam *woon* — er wordt geen *-t* toegevoegd.

  • Welke zin is correct?
    • Werkt jij morgen?
    • Werk jij morgen?
    • Werken jij morgen?
    • Jij werk morgen?

    In een vraag komt *jij* vlak na het werkwoord, dus de *-t* valt weg → *Werk jij morgen?*

  • Vul in: *Hij ___ elke dag naar de radio.* (luisteren)
    • luister
    • luistert
    • luisteren
    • luisterd

    Voor *hij* voeg je *-t* toe aan de stam *luister* → *luistert*.

  • Wat is de meervoudsvorm in *Wij ___ hard.* (werken)?
    • werkt
    • werk
    • werken
    • werkte

    Alle meervoudsvormen gebruiken de hele infinitief, dus *wij werken*.

  • Waarom heeft *Vandaag ga je naar school* *ga* en niet *gaat*?
    • omdat *gaan* onregelmatig is
    • omdat *je* na het werkwoord komt, dus de -t valt weg
    • omdat het een vraag is
    • omdat het meervoud is

    Er staat iets anders vooraan (*Vandaag*), dus het werkwoord komt vóór *je*; als *je* na het werkwoord komt, verdwijnt de *-t* → *ga je*.

Test jezelf

Question 1 of 5

Vul in: Ik ___ in Amsterdam. (wonen)

See also

  • De werkwoordstam en de vier stamregels
  • De -dt-regel: wanneer een werkwoord op -dt eindigt
  • De verb-second-regel (V2) in het Nederlands