De -dt-regel: wanneer een werkwoord op -dt eindigt
Waarom hij vindt en jij/je wordt een d plus t hebben, waarom word jij de t verliest en waarom wordt u de t behoudt.
Ik vind het antwoord heeft vind, maar hij vindt het antwoord heeft vindt. De twee vormen klinken hetzelfde. De spelling laat twee delen zien: de stam vind eindigt al op -d, en de regelmatige uitgang van de tegenwoordige tijd -t levert vindt op.
Maak -dt van een stam die op -d eindigt
Begin met worden â word â wordt: het hele werkwoord, de geschreven stam en daarna de stam plus -t. Bepaal de geschreven stam voordat je een uitgang kiest. -en weghalen is alleen de eerste stap, want de gewone spellingregels blijven gelden. De tabel toont vier stammen die hun laatste -d behouden.
| Hele werkwoord | Stam | Stam + -t |
|---|---|---|
| worden | word | wordt |
| vinden | vind | vindt |
| antwoorden | antwoord | antwoordt |
| melden | meld | meldt |
In de regelmatige tegenwoordige tijd gebruik je bij ik de stam: ik word, ik vind. Voeg -t toe bij informeel enkelvoud jij/je vóór het werkwoord, bij u en bij een onderwerp in de derde persoon enkelvoud: jij wordt, u vindt, de docent antwoordt. Gebruik bij een meervoudig onderwerp het hele werkwoord: wij worden, de docenten antwoorden. Dit patroon geeft alleen -dt als de geschreven stam op -d eindigt. Eindigt de stam al op -t, dan schrijft het Nederlands geen -tt: praten â hij praat. Onregelmatige vormen in de tegenwoordige tijd hebben hun eigen vervoeging.
Laat -t alleen weg bij onderwerp jij/je na het werkwoord
Vergelijk Jij wordt oud met Word jij oud?. Als informeel enkelvoud jij of je het onderwerp is en na het werkwoord in de tegenwoordige tijd staat, gebruik je de stam zonder -t. Deze volgorde komt voor in vragen en als een ander zinsdeel vooraan staat.
| Situatie | Voorbeeld | Uitgang |
|---|---|---|
| Onderwerp eerst | Jij wordt oud. | -dt |
| Vraag: werkwoord eerst | Word jij oud? | -d |
| Tijdsbepaling eerst | Morgen word je opgehaald. | -d |
Deze uitzondering geldt niet voor u of een onderwerp in de derde persoon enkelvoud. Schrijf U wordt gebeld en Wordt u gebeld?. Schrijf ook Wordt hij boos? en Vindt Noor dat leuk?. Enkele werkwoorden hebben ook een kortere stam in vormen zonder -t: ik hou en rij jij? kunnen naast ik houd en rijd jij? staan. De vormen met een toegevoegde -t blijven jij houdt en hij rijdt.
Controleer of je het onderwerp is
Word je moe? heeft geen -t, maar Wat houdt je bezig? behoudt die wel. Laat -t niet alleen weg omdat je na het werkwoord staat. Kun je je vervangen door de onderwerpsvorm jij, gebruik dan de regel zonder -t. Betekent je de voorwerpsvorm jou of het bezittelijke jouw, dan is een ander woord of een andere woordgroep het onderwerp en bepaalt die de werkwoordsvorm. In Wat houdt je bezig? is wat het onderwerp. In Wordt je fiets gemaakt? is je fiets een onderwerp in de derde persoon enkelvoud.
Controleer of de vorm een werkwoord in de tegenwoordige tijd is
Vergelijk Hij antwoordt vandaag met Hij heeft gisteren geantwoord. In de eerste zin is antwoordt het werkwoord in de tegenwoordige tijd en bestaat het uit de stam antwoord plus -t. In de tweede zin is geantwoord een voltooid deelwoord dat met heeft wordt gebruikt. Voltooide deelwoorden volgen een aparte regel voor d/t; ze krijgen niet de -t van de tegenwoordige tijd. De verleden tijd en het voltooid deelwoord van worden zijn werd en geworden. Gebruik voor een snelle controle tussen d, t en dt d, t of dt?.
- Vul in: *Hij ___ het antwoord niet.* (werkwoord: *vinden*)
- *vind*
- *vindt*
- *vindet*
- *vint*
Bij *hij* voeg je *-t* toe aan de stam *vind* â *vindt*. De *-d* van de stam plus de uitgang *-t* geeft *-dt*.
- Wat is juist in deze vraag?
- *Wordt jij moe?*
- *Word jij moe?*
- *Worden jij moe?*
- *Wort jij moe?*
In deze vraag is *jij* het onderwerp en staat het na het werkwoord. De *-t* valt weg, dus schrijf je alleen de stam op *-d* â *Word jij moe?*
- Vul in: *Ik ___ op elke e-mail.* (werkwoord: *antwoorden*)
- *antwoordt*
- *antwoord*
- *antwoordet*
- *antwoort*
De vorm bij *ik* is de kale stam *antwoord*, zonder toegevoegde *-t* â *ik antwoord* (niet *antwoordt*).
- Zoek de fout: *Word jij boos als hij te laat komt?*
- *Word* moet *Wordt* zijn
- er is niets fout
- *komt* moet *komen* zijn
- *jij* moet *je* zijn
De zin is juist. *Jij* staat na het werkwoord, dus *word* krijgt geen *-t*. Ook *hij komt* behoudt terecht zijn *-t*.
- Vul in: *___ je fiets al gemaakt?* (*worden* is hier het hulpwerkwoord van de lijdende vorm; *je* betekent *jouw*)
- *Word*
- *Wordt*
- *Worden*
- *Wort*
Hier betekent *je* *jouw*. Het volledige onderwerp *je fiets* staat in de derde persoon enkelvoud. Voeg *-t* toe aan de stam *word* â *Wordt je fiets al gemaakt?* met *-dt*.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: Hij ___ het antwoord niet. (werkwoord: vinden)