d, t of dt? De werkwoordsuitgang goed schrijven
Een snelle regel voor de valkuil in de tegenwoordige tijd: is het ik word of ik wordt, hij vindt of hij vind? Gebruik de ik-vorm en de loopt-test om de uitgang te horen.
Een van de meest gemaakte spelfouten is de werkwoordsuitgang in de tegenwoordige tijd: is het ik word of ik wordt, hij vindt of hij vind? Het probleem is dat een d en een t aan het eind van een woord identiek klinken, dus je oor kan het niet uitmaken. Een korte test wel.
Hoe beslis je
In de tegenwoordige tijd is de ik-vorm de kale stam (het werkwoord zonder de -en-uitgang) en krijgt geen letter; jij, hij, zij, het en u voegen -t toe aan die stam. Als de stam al op -d eindigt, geeft het toevoegen van -t de dubbele uitgang -dt.
- Vind de stam met de ik-vorm: worden ā ik word, vinden ā ik vind. Dat is je startpunt, zonder uitgang.
- Voor jij / hij / zij / het / u voeg je -t toe: hij loopt, hij vindt. Als de stam op -d eindigt, krijg je nu -dt: word + t ā wordt.
- Voeg nooit een -d toe. De tegenwoordige tijd voegt altijd alleen -t toe, dus hij verandert, nooit hij veranderd.
Het addertje: je hoort de -t niet op een d-stam: word en wordt klinken hetzelfde. Wissel dus een werkwoord in waarbij je de uitgang wĆ©l hoort ā lopen is de klassieker. Vraag je af wat lopen op diezelfde plek zou doen: als lopen een -t krijgt, dan jouw werkwoord ook.
- Hij ___ het leuk (vinden)? Test met lopen: hij loopt heeft een duidelijke -t, dus het is hij vindt.
- Ik ___ het leuk? Ik loop heeft geen -t, dus het is ik vind.
| Persoon | lopen (hoor de -t) | worden (d-stam) | vinden (d-stam) |
|---|---|---|---|
| ik | loop | word | vind |
| jij / u / hij / zij / het | loopt | wordt | vindt |
| wij / jullie / zij | lopen | worden | vinden |
EĆ©n omkering: als jij of je direct na het werkwoord komt ā in een vraag of nadat er eerst een ander woord staat ā valt de -t weg. Dus jij wordt maar word jij?, en je vindt maar vind je? Dit gebeurt alleen met jij/je, nooit met u (wordt u?). Meer gevallen en het volledige beeld vind je op de pagina over de -dt-regel en in de tegenwoordige tijd.
Veelgemaakte fouten
De meest gemaakte fout is ik wordt. De ik-vorm is altijd de kale stam, dus het is ik word, ik vind, ik antwoord ā geen -t. De -t hoort bij jij/hij/u.
De tweede valkuil is de verleden tijd en het voltooid deelwoord, waar wƩl een -d verschijnt: het is veranderd, ik werd. Dat zijn andere vormen; de test ik = stam, jij/hij = stam + t geldt hier alleen voor de tegenwoordige tijd. Waarom een -d aan het eind als d wordt geschreven en niet als t, ook al klinkt het als t, lees je in het spellen van een -d of -t aan het eind.
Tot slot: een stam die al op -t eindigt, krijgt geen tweede -t: zitten ā ik zit ā hij zit (niet zitt), omdat een Nederlandse lettergreep nooit op twee dezelfde medeklinkers eindigt.
- Vul in: *___ jij hier gelukkig?* (worden ā met jij na het werkwoord)
- Word jij
- Wordt jij
- Wordt je
- Worden jij
*Worden* hoort bij een gezegde zoals *gelukkig*. Als *jij/je* direct na het werkwoord komt, valt de *-t* weg: *word jij?* In een normale volgorde zou het *jij wordt* zijn.
- Wat is correct?
- Ik wordt volgende week dertig.
- Ik word volgende week dertig.
- Ik wort volgende week dertig.
- Ik worde volgende week dertig.
De *ik*-vorm is de kale stam zonder uitgang: *ik word*. Alleen *jij/hij/u* voegen *-t* toe ā *hij wordt*.
- Vul in: *Hij ___ het antwoord niet.* (vinden)
- vind
- vindt
- vint
- vindet
Voor *hij* voeg je *-t* toe aan de stam *vind*, wat *-dt* geeft: *hij vindt*. Test met *lopen*: *hij loopt* heeft een duidelijke *-t*, dus *vinden* krijgt er ook een.
- Waarom is het *hij verandert* en niet *hij veranderd*?
- De tegenwoordige tijd voegt -t toe, nooit -d
- De stam eindigt op -d
- Omdat *hij* altijd -d krijgt
- Omdat het een lang werkwoord is
In de tegenwoordige tijd voeg je altijd alleen *-t* toe. De stam is *verander* (eindigt op *r*), dus *hij verandert*. Een geschreven *-d* hoort bij het voltooid deelwoord (*veranderd*).
- Zoek de fout: *Jij zit hier en ik antwoord daar.*
- *zit* moet *zitt* zijn
- *antwoord* moet *antwoordt* zijn
- er is niets fout
- *zit* moet *zitd* zijn
Allebei goed. *Zitten* heeft een stam die op *-t* eindigt, dus *jij zit* krijgt geen tweede *-t*; en *ik antwoord* is de kale *ik*-stam, zonder uitgang.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: ___ jij hier gelukkig? (worden ā met jij na het werkwoord)