d, t of dt? De werkwoordsuitgang goed schrijven
Een snelle regel voor de tegenwoordige tijd: gebruik de ik-vorm (de vorm bij ik) om de stam te vinden en daarna de loopt-test (vervang het werkwoord door lopen) om tussen d, t en dt te kiezen.
Ik word eindigt op -d, terwijl hij vindt op -dt eindigt. Aan het einde van deze woorden klinken een geschreven d en t hetzelfde, dus je kunt niet op je gehoor kiezen. Controleer eerst of je het werkwoord in de tegenwoordige tijd spelt dat met het onderwerp mee verandert. Laat daarna het onderwerp bepalen of je -t toevoegt.
Gebruik het onderwerp en de loopt-test
Begin bij het onderwerp. Bij ik gebruik je de stam zonder -t. Staat jij/je (informeel) vóór het werkwoord, is het onderwerp u (formeel), of is het onderwerp derde persoon enkelvoud, dan voeg je -t toe: vergelijk ik word met jij wordt. Controleer vóór die keuze of de stam goed is gespeld. De ik-vorm is een handige manier om die te vinden: worden → ik word en vinden → ik vind. Je kunt niet altijd alleen -en van het hele werkwoord halen, want de gewone spellingsregels blijven gelden: maken → ik maak. In het enkelvoud van de tegenwoordige tijd is de uitgang die je eventueel toevoegt -t, nooit -d.
- Zoek het onderwerp — de persoon of zaak waar het werkwoord over gaat — en de ik-vorm: worden → ik word, vinden → ik vind.
- Bij ik gebruik je die vorm zonder -t. Bij een onderwerp in het meervoud gebruik je het hele werkwoord: wij worden, wij vinden.
- Staat jij/je vóór het werkwoord, is het onderwerp u, of is het onderwerp derde persoon enkelvoud, dan voeg je -t toe. Een stam op -d eindigt dan op -dt: word + t → wordt en vind + t → vindt.
Je hoort de toegevoegde -t niet na een stam op -d: word en wordt klinken hetzelfde. Zet lopen op dezelfde plek in de zin en neem de uitgang over. Je test de vorm, niet de betekenis van de zin.
- Hij ___ het antwoord niet. (vinden). De testvorm is hij loopt, dus schrijf hij vindt.
- ___ jij dit leuk? (vinden). De testvorm is loop jij, dus schrijf vind jij.
| Onderwerp en positie | lopen (de uitgang is hoorbaar) | worden (stam word) | vinden (stam vind) |
|---|---|---|---|
| ik | ik loop | ik word | ik vind |
| jij/je vóór het werkwoord | jij loopt | jij wordt | jij vindt |
| jij/je na het werkwoord, als onderwerp | loop jij? | word jij? | vind jij? |
| u of een onderwerp in de derde persoon enkelvoud | u loopt / hij loopt | u wordt / hij wordt | u vindt / hij vindt |
| Onderwerp in het meervoud | wij lopen | wij worden | wij vinden |
Drie details houden de onderwerpregel precies. Ten eerste verliest jij/je alleen -t als dit voornaamwoord het onderwerp is en na het werkwoord staat. Vergelijk Jij wordt dertig met Word jij dertig?.
Ten tweede behoudt het formele onderwerp u de -t in beide posities: U wordt dertig en Wordt u dertig?
Controleer ten derde wat je betekent. In Morgen wordt je salaris gestort is je bezittelijk en is je salaris het onderwerp. Daarom behoudt wordt de -t. Meer gevallen en het volledige patroon vind je op de pagina over de -dt-regel en in de tegenwoordige tijd.
Waar de d/t/dt-test voor de tegenwoordige tijd stopt
Kies niet op het gehoor. Bij ik schrijf je de stam zonder -t: ik word en ik vind. In het regelmatige patroon van de tegenwoordige tijd voeg je nooit -d toe. Schrijf hij verandert, niet hij veranderd.
Een vorm op -d kan buiten dit patroon goed zijn. In Hij heeft de code veranderd is veranderd een voltooid deelwoord — de werkwoordsvorm die hier met heeft wordt gebruikt. Het woord heeft is het werkwoord in de tegenwoordige tijd dat met het onderwerp overeenkomt. De test in dit artikel geldt alleen voor dat werkwoord in de tegenwoordige tijd. Vormen in de verleden tijd volgen andere regels. Waarom een geschreven d aan het einde als t klinkt, lees je in het spellen van een -d of -t aan het eind.
Schrijf tot slot geen twee dezelfde medeklinkers aan het einde van een woord. Als de stam al op -t eindigt, schrijf je de toegevoegde uitgang niet apart: praten → ik praat → hij praat, niet hij praatt. Sommige werkwoorden hebben onregelmatige vormen in de tegenwoordige tijd. Zoek hun vervoeging op in plaats van dit regelmatige patroon erop toe te passen.
- Vul in: *___ hier gelukkig?* (vul de lege plek in met een vorm van *worden*; *jij* is het onderwerp)
- Word jij
- Wordt jij
- Wordt je
- Worden jij
*Worden* past bij *gelukkig*. Hier is *jij* het onderwerp en staat het na het werkwoord, dus valt de *-t* weg: *Word jij hier gelukkig?* Met het onderwerp voorop zou het *Jij wordt hier gelukkig* zijn.
- Welke vorm is juist?
- Ik wordt volgende week dertig.
- Ik word volgende week dertig.
- Ik wort volgende week dertig.
- Ik worde volgende week dertig.
Bij *ik* gebruik je de stam zonder *-t*: *ik word*. Vergelijk dit met de regelmatige vorm voor de derde persoon *hij wordt*.
- Vul in: *Hij ___ het antwoord niet.* (*vinden*)
- vind
- vindt
- vint
- vindet
Bij *hij* voeg je *-t* toe aan de stam *vind*. Dat geeft *-dt*: *Hij vindt het antwoord niet.* De test met *lopen* geeft *hij loopt*, waarin je de uitgang hoort.
- Waarom is het *Hij verandert morgen de code* en niet *Hij veranderd morgen de code*?
- De tegenwoordige tijd voegt *-t* toe, nooit *-d*
- De stam eindigt op *-d*
- Omdat *hij* altijd *-d* krijgt
- Omdat het een lang werkwoord is
In de regelmatige tegenwoordige tijd is de mogelijke toegevoegde uitgang *-t*, niet *-d*. De stam is *verander*, dus schrijf je *hij verandert*. Het voltooid deelwoord is *veranderd*.
- Vind de fout: *Jij praat rustig en ik word niet boos.*
- *praat* moet *praatt* zijn
- *word* moet *wordt* zijn
- er is niets fout
- *praat* moet *praatd* zijn
Beide vormen zijn goed. De stam *praat* eindigt al op *-t*, dus het Nederlands schrijft geen tweede t in *jij praat*. Bij *ik* krijgt *word* geen toegevoegde *-t*.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: ___ hier gelukkig? (vul de lege plek in met een vorm van worden; jij is het onderwerp)