Inburgering.org Logo

Inburgering.org

  • Cursussen
  • Exameninfo
  • Podcasts
  • Gratis
Inburgering.org Logo

Inburgering.org

Prijzen

Exameninfo

Podcasts

Grammatica

Privacybeleid

Algemene voorwaarden

Veelgestelde vragen

Contact

Partners

Luisteren

A1

A2

B1

B2

Lezen

A1

A2

B1

B2

Spreken

A1

A2

B1

B2

Schrijven

A1

A2

B1

B2

Inburgering

A1

A2

B1

B2

KNM

KNS

Hulp nodig?
Neem contact met ons op via info@inburgering.org

Word lid van onze community:

Instagram

Oefenbot

Telegram-groep

Facebook-groep:

A1

A2

B1

B2

Telegram-kanalen:

A1

A2

B1

B2

© 2026 Inburgering.org. Alle rechten voorbehouden.

Inburgering.org/Grammar/Kernvoorzetsels: in, op, aan, naar, van, met

Kernvoorzetsels: in, op, aan, naar, van, met

De belangrijkste voorzetsels en wat ze betekenen, inclusief het lastige op (op school, op de fiets) en het verschil tussen plaats en richting bij in en naar.

Een voorzetsel is een klein woord dat aangeeft waar of hoe iets is: in de kamer, op tafel, met de trein. Het Nederlands heeft er veel, maar een handjevol dekt de meeste alledaagse situaties. Deze pagina neemt de zes handigste en laat hun belangrijkste betekenissen zien.

Wat elk voorzetsel betekent

Elk voorzetsel heeft een kernbetekenis, maar de overeenkomst met het Engels is los, dus leer de hele woordgroep in plaats van het losse woord. Hier zijn de zes om mee te beginnen.

VoorzetselBelangrijkste betekenisVoorbeeld
inin, binneninin Nederland, in de kast
opop een oppervlak; op een plekop tafel, op school
aanvast aan iets; aan iemandaan de muur, Ik geef het aan Tom.
naarnaar een bestemmingnaar huis, naar de winkel
vanafkomstig van; beziteen cadeau van mijn zus, de fiets van Tom
metsamen met; per vervoermiddelmet een vork, met de trein

op: niet alleen op een oppervlak

Op is het voorzetsel dat leerders in de war brengt, omdat het veel meer dekt dan het Engelse “on”. Vier gebruiken buiten een plat oppervlak zijn het waard om als vaste uitdrukkingen te onthouden.

  • Bij een instelling of openbare plek: op school, op het werk, op het feest, op straat.
  • Met de fiets gaan: op de fiets. Dit geldt alleen voor de fiets; te voet is te voet of lopend, nooit op.
  • Vaste uitdrukkingen voor een toestand of activiteit: op vakantie, op reis.
  • Bij dagen en data: op maandag, op 5 mei.

Let op op straat en op de foto: waar het Engels “in” zegt, zegt het Nederlands hier op. Dit zijn vaste uitdrukkingen, geen regel die je kunt uitbreiden.

Plaats of richting: in of naar?

Voor een plaats die niet beweegt, gebruik je een plaatsvoorzetsel zoals in of op; voor beweging naar een bestemming gebruik je naar. Het werkwoord geeft meestal aan welke je nodig hebt.

  • Waar iets is (geen beweging): Ik woon in Utrecht. De kinderen zijn op school.
  • Waar iets naartoe gaat (beweging naar een doel): Ik ga naar Utrecht. De kinderen gaan naar school.

Dus dezelfde plaats gaat samen met verschillende voorzetsels: op school (plaats) maar naar school (richting). Om een bestemming helemaal te omsluiten kan het Nederlands toe toevoegen: zie naar ... toe en ... heen.

Veelgemaakte fouten

De gewoonte die je moet afleren, is het Engelse voorzetsel woord voor woord vertalen. Het Nederlands kiest zijn eigen voorzetsel: “by train” is met de trein, niet bij de trein; “at school” is op school, niet in school; “on the wall” is aan de muur, niet op de muur. Veel werkwoorden koppelen zich ook aan een vast voorzetsel dat zich niets van het Engels aantrekt (wachten op, waar het Engels for gebruikt) — dat patroon krijgt een eigen pagina, werkwoord + vast voorzetsel. Leer elk voorzetsel binnen een echte woordgroep, en de vreemde keuzes voelen niet langer willekeurig.

  • Vul in: *Ik ga ___ Amsterdam.*
    • in
    • op
    • naar
    • aan

    De zin beschrijft beweging naar een bestemming, dus krijgt hij *naar* → *Ik ga naar Amsterdam.* Gebruik *in* alleen voor waar je al bent (*Ik ben in Amsterdam*).

  • Hoe zeg je “at school” (een plaats) in het Nederlands?
    • in school
    • op school
    • aan school
    • naar school

    Het Nederlands gebruikt *op* bij instellingen: *op school*, *op het werk*. *Naar school* zou richting betekenen, geen plaats.

  • Vul in: *De poster hangt ___ de muur.*
    • op
    • in
    • aan
    • van

    Voor iets dat aan een verticaal vlak vastzit, gebruikt het Nederlands *aan*: *aan de muur*. *Op* is voor iets dat op een plat vlak ligt (*op tafel*).

  • Welke woordgroep betekent “by train”?
    • met de trein
    • op de trein
    • in de trein
    • naar de trein

    *Met* drukt het vervoermiddel uit: *met de trein*, *met de fiets*. *In de trein* zou “binnen in de trein” betekenen.

  • Vul in: *Dit is een cadeau ___ mijn zus.* (afkomstig van je zus)
    • uit
    • van
    • aan
    • met

    Voor herkomst bij een persoon gebruikt het Nederlands *van*: *een cadeau van mijn zus*. *Uit* gebruik je bij een plaats (*Ik kom uit Spanje*).

Test jezelf

Question 1 of 5

Vul in: Ik ga ___ Amsterdam.

See also

  • Werkwoord met vast voorzetsel: wachten op, denken aan
  • naar ... toe en ... heen: richting aangeven in het Nederlands
  • Lidwoorden gebruiken: waar Nederlands en Engels verschillen