Vaste Nederlandse werkwoord-voorzetselcombinaties: wachten op, denken aan
Leer Nederlandse werkwoord-voorzetselcombinaties als één geheel, behoud bij dezelfde betekenis hetzelfde voorzetsel en onderscheid het van een scheidbaar werkwoorddeel.
Ik wacht op de uitslag. Bij deze betekenis kiest wachten het voorzetsel op. Het werkwoord en het voorzetsel vormen een vaste combinatie: leer daarom wachten op als één geheel.
Werkwoord, voorzetsel en betekenis vormen één leereenheid
Leer wachten op, niet alleen wachten. Schrijf het werkwoord en het voorzetsel als losse woorden. Pas de werkwoordsvorm aan het onderwerp en de tijd aan, maar behoud het gekozen voorzetsel als je dezelfde betekenis uitdrukt.
- Noteer de volledige combinatie met de betekenis: luisteren naar.
- Voeg een zin toe met de persoon of zaak na het voorzetsel: Sam luistert naar de radio.
- Verander de tijd zonder het gekozen voorzetsel te veranderen: Ik wacht op de bus. Ik wachtte op de bus. Ik heb op de bus gewacht.
| Werkwoord + voorzetsel | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| luisteren naar | aandachtig horen | Sam luistert naar de radio. |
| denken aan | iemand of iets in gedachten hebben | Ik denk aan onze afspraak. |
| vertrouwen op | op iemand of iets rekenen | We vertrouwen op de planning. |
| verlangen naar | sterk naar iets uitkijken | Na de winter verlang ik naar de lente. |
| houden van | liefde of voorkeur voelen | Mijn buurvrouw houdt van tuinieren. |
| deelnemen aan | meedoen met | Morgen nemen we deel aan de training. |
| klagen over | een klacht uiten over | De bewoners klagen over de rook. |
| wachten op | blijven tot iemand of iets komt | Noor wacht op haar uitslag. |
| zorgen voor | iemand of iets verzorgen | Hij zorgt voor zijn zieke vader. |
| lijken op | dezelfde kenmerken hebben als | Deze tas lijkt op de mijne. |
Deelnemen aan combineert een scheidbaar werkwoord met een vast voorzetsel. De hoofdzin is Wij nemen deel aan de cursus. Hier is deel het scheidbare werkwoorddeel van deelnemen. Het vaste voorzetsel aan leidt de cursus in.
‘Vast’ benoemt de keuze van het voorzetsel, niet een verplichte woordgroep
Ik wacht al uren. is een volledige zin. Noem je de persoon of zaak, dan gebruikt wachten het voorzetsel op: Ik wacht op de bus. ‘Vast’ betekent dat bij dit gebruik van het werkwoord dit voorzetsel is gekozen. Het betekent niet dat de hele voorzetselgroep altijd aanwezig moet zijn.
Een werkwoord kan voor een andere betekenis een andere constructie kiezen. Ik moet steeds aan mijn oma denken. gebruikt denken aan. Ik moet nog even over het voorstel denken. gebruikt denken over. Leer de betekenis samen met de combinatie.
Een vast voorzetsel en een scheidbaar werkwoorddeel hebben verschillende functies
Een vast voorzetsel leidt na het werkwoord een persoon of zaak in. Een scheidbaar werkwoorddeel hoort bij het werkwoord zelf en verplaatst zich volgens de regels voor scheidbare werkwoorden. Sommige zinnen bevatten beide.
| Patroon | Hoofdzin | Analyse |
|---|---|---|
| Vast voorzetsel: wachten op | Ik wacht op Noor. | op leidt Noor in en hoort niet bij wachten |
| Scheidbaar werkwoorddeel: opbellen | Ik bel Noor op. | op hoort bij het werkwoord opbellen |
| Beide: nadenken over | Ik denk na over het aanbod. | na hoort bij nadenken en over leidt het aanbod in |
Zelfstandignaamwoordgroepen volgen het voorzetsel; voornaamwoorden voor zaken gebruiken er, daar of waar
Ik vertrouw op het plan. en Ik denk aan dat voorstel. zijn gewone constructies van een voorzetsel met een zelfstandignaamwoordgroep. Het is het lidwoord voor plan en dat hoort bij voorstel. Beide blijven na het voorzetsel staan.
Een voornaamwoord staat los als er geen zelfstandig naamwoord achter staat. Verwijst dat voornaamwoord naar een zaak of situatie, dan gebruikt het Nederlands gewoonlijk er, daar of waar met het voorzetsel. Gebruik in dit patroon normaal geen los het, dat of wat.
| Functie | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Terugverwijzen naar een zaak | er + voorzetsel | Ik vertrouw op het plan → Ik vertrouw erop. Ze denkt er vaak aan. |
| Naar een bepaalde zaak wijzen | daar + voorzetsel | Ik denk aan dat voorstel → Ik denk daaraan. |
| Naar een zaak vragen | waar + voorzetsel | Waarop wacht je? of Waar wacht je op? |
| Een bijzin aan een zaak koppelen | waar + voorzetsel | de trein waarop we wachten of de trein waar we op wachten. Zie waarmee en waarover. |
| Naar een persoon verwijzen | voorzetsel + persoonlijk voornaamwoord | Ik wacht op mijn broer → Ik wacht op hem. |
Het voornaamwoordelijke woord en het voorzetsel kunnen naast elkaar staan of door andere woorden van elkaar gescheiden zijn. Schrijf ze aan elkaar als ze direct naast elkaar staan: erop, daaraan, waarop. Schrijf ze los als er andere woorden tussen staan: er vaak aan, waar we op wachten. Deze pagina toont wat dat voor vaste combinaties betekent; er + een voorzetsel behandelt het volledige patroon.
De Nederlandse combinatie bepaalt het voorzetsel
De losse kernbetekenis van een voorzetsel voorspelt de combinatie niet altijd. Zeg bij deze betekenissen wachten op, deelnemen aan en luisteren naar. Leer daarom telkens het werkwoord, het voorzetsel en de betekenis samen. De pagina over kernbetekenissen van voorzetsels legt uit wat voorzetsels op zichzelf betekenen; de werkwoord-voorzetselcombinatie vertelt welk voorzetsel dit werkwoord kiest.
- Vul in: *Ik wacht ___ de bus.*
- *voor*
- *op*
- *aan*
- *naar*
De vaste combinatie voor deze betekenis is *wachten op*. Leer het voorzetsel daarom samen met het werkwoord.
- Vul in: *We luisteren ___ muziek.*
- *aan*
- *naar*
- *op*
- *van*
De vaste combinatie is *luisteren naar*. Het voorzetsel *naar* hoort bij deze betekenis van *luisteren*.
- Welke zin betekent dat ze meedoen aan de vergadering?
- *Ze nemen deel aan de vergadering.*
- *Ze nemen deel in de vergadering.*
- *Ze nemen deel op de vergadering.*
- *Ze nemen deel voor de vergadering.*
*Deelnemen aan* betekent meedoen aan: *Ze nemen deel aan de vergadering.* *Deel* is het scheidbare werkwoorddeel en *aan* leidt de vergadering in.
- Vervang in *Ik vertrouw op het plan* de woorden *op het plan* door een voornaamwoordelijke constructie die naar het plan terugverwijst. Welke zin krijg je?
- *Ik vertrouw op het.*
- *Ik vertrouw het op.*
- *Ik vertrouw erop.*
- *Ik vertrouw opet.*
In *op het plan* is *het* een lidwoord, omdat *plan* erop volgt. Verwijs je terug naar het plan, gebruik dan *er* met het vaste voorzetsel *op*. De twee delen staan hier naast elkaar, dus schrijf je *erop*: *Ik vertrouw erop.*
- Vul in: *Ik denk vaak ___ jou.*
- *over*
- *aan*
- *op*
- *van*
Gebruik *denken aan* als iemand in je gedachten is: *Ik denk aan jou.* Gebruik *nadenken over* als je iets overweegt of erover nadenkt.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: Ik wacht ___ de bus.