Inburgering.org Logo

Inburgering.org

  • Cursussen
  • Exameninfo
  • Podcasts
  • Gratis
Inburgering.org Logo

Inburgering.org

Prijzen

Exameninfo

Podcasts

Grammatica

Privacybeleid

Algemene voorwaarden

Veelgestelde vragen

Contact

Partners

Luisteren

A1

A2

B1

B2

Lezen

A1

A2

B1

B2

Spreken

A1

A2

B1

B2

Schrijven

A1

A2

B1

B2

Inburgering

A1

A2

B1

B2

KNM

KNS

Hulp nodig?
Neem contact met ons op via info@inburgering.org

Word lid van onze community:

Instagram

Oefenbot

Telegram-groep

Facebook-groep:

A1

A2

B1

B2

Telegram-kanalen:

A1

A2

B1

B2

© 2026 Inburgering.org. Alle rechten voorbehouden.

Inburgering.org/Grammar/Werkwoord met vast voorzetsel: wachten op, denken aan

Werkwoord met vast voorzetsel: wachten op, denken aan

Nederlandse werkwoorden die vastzitten aan één vast voorzetsel dat je als geheel moet leren, zoals wachten op en denken aan.

Een aantal Nederlandse werkwoorden zit vast aan één bepaald voorzetsel, en een vervanger is niet toegestaan: Ik luister naar het nieuws. Luisteren gaat altijd met naar, ook al koppelt het Engels 'listen' aan 'to'. Combinaties als luisteren naar en wachten op worden werkwoorden met een vast voorzetsel genoemd — in het Nederlands vaste voorzetsels.

Hoe werken ze

Er is geen logica die je vertelt welk voorzetsel een werkwoord eist, dus probeer het niet af te leiden uit de betekenis of uit het Engels. Sla het voorzetsel op als deel van het woordenboekitem van het werkwoord: zodra je antwoorden tegenkomt, noteer je het als antwoorden op; zodra je deelnemen tegenkomt, noteer je het als deelnemen aan. De twee woorden gedragen zich als één geheel dat je samen opzoekt en inoefent.

  1. Oefen elk werkwoord met zijn voorzetsel erbij — deelnemen aan, luisteren naar — en berg het kale werkwoord nooit los op.
  2. Het voorzetsel blijft in elke tijd hetzelfde: Ik luister naar het nieuws (tegenwoordige tijd), Ik luisterde naar het nieuws (verleden tijd), Ik heb naar het nieuws geluisterd (voltooide tijd).
  3. Negeer wat het Engelse voorzetsel zou zijn. Deelnemen gaat met aan, ook al zegt het Engels 'take part in'; klagen gaat met over, waar het Engels 'complain about' zegt.

De onderstaande combinaties horen bij de meest voorkomende — leer deze eerst.

Werkwoord + voorzetselBetekenisVoorbeeld
luisteren naarje aandacht richten op geluidIk luister naar het nieuws.
denken aaniets of iemand in gedachten hebbenDenk je nog aan je afspraak?
vertrouwen oprekenen op, geloven inIk vertrouw op je oordeel.
verlangen naarhunkeren naarZe verlangt naar de zomer.
houden vangraag hebben, liefhebbenHij houdt van koken.
deelnemen aanmeedoen aanWij nemen deel aan de cursus.
klagen overmopperen over, ontevreden zijn overDe buren klagen over het lawaai.
wachten opblijven tot iets of iemand komtWe wachten op de trein.
zorgen voorverzorgen, de zorg dragen voorZij zorgt voor haar ouders.
lijken opgelijkenis vertonen metJe lijkt op je moeder.

Bijvoeglijke naamwoorden kunnen op dezelfde manier aan een voorzetsel vastzitten. Bang gaat altijd met voor — Ik ben bang voor honden — en hier is zijn alleen het koppelwerkwoord. Nog een paar om als geheel te leren: trots op, blij met en tevreden over.

Wanneer het voorwerp een ding is: er en waar

Het voorzetsel van het werkwoord bepaalt ook hoe je naar een ding terugverwijst. Het Nederlands zet een voorzetsel nooit direct vóór het, dat of wat. Als het voorwerp een ding is en geen persoon, versmelt het voorzetsel met er — of met waar in een vraag of betrekkelijke bijzin.

  • Een ding vervangen: het voorzetsel hecht zich aan er, en het paar splitst vaak rond de tussenliggende woorden. Ik vertrouw op het systeem → Ik vertrouw erop. Ze denkt aan de reis → Ze denkt er vaak aan. Meer in er + een voorzetsel.
  • Naar een ding vragen: waar plus hetzelfde voorzetsel. Waar wacht je op? Waar klaagt hij over?
  • In een betrekkelijke bijzin over een ding: de trein waarop we wachten. Zie waarmee, waarover.

Bij een persoon houd je het kale voorzetsel plus een voornaamwoord: Ik wacht op hem, nooit ik wacht erop.

Veelgemaakte fouten

De veelvoorkomendste misser is grijpen naar het Engelse voorzetsel. 'Take part in' verleidt je tot deelnemen in, maar de vaste combinatie is deelnemen aan; 'complain about' verleidt je tot klagen van, maar het Nederlands gebruikt klagen over. De tweede valkuil is denken, waarvan de betekenis met het voorzetsel verschuift. Denken aan betekent iemand of iets in gedachten houden (Ik denk aan mijn oma), terwijl nadenken over betekent een vraag overdenken of een keuze doordenken (Ik denk na over het aanbod). Omdat het voorzetsel een deel van de betekenis draagt, sla je het altijd samen met het werkwoord op — de pagina kernbetekenissen van voorzetsels geeft wat een voorzetsel op zichzelf betekent, niet welk werkwoord het kiest.

  • Vul in: *Ik wacht ___ de bus.*
    • voor
    • op
    • aan
    • naar

    *Wachten* ligt vast met *op*, ongeacht het Engels: *wachten op*. *Wachten voor* kopieert het Engelse voorzetsel en is fout.

  • Vul in: *We luisteren ___ muziek.*
    • aan
    • naar
    • op
    • van

    De combinatie is *luisteren naar*. Het werkwoord bepaalt het voorzetsel; het volgt niet het Engelse 'to'.

  • Welke zin betekent 'They take part in the meeting'?
    • Ze nemen deel aan de vergadering.
    • Ze nemen deel in de vergadering.
    • Ze nemen deel op de vergadering.
    • Ze nemen deel voor de vergadering.

    *Deelnemen aan* betekent meedoen aan iets. Het Engelse 'in' is hier een valse vriend — het Nederlands koppelt dit werkwoord vast aan *aan*.

  • Vervang het ding: *Ik vertrouw op het plan* → ?
    • Ik vertrouw op het.
    • Ik vertrouw het op.
    • Ik vertrouw erop.
    • Ik vertrouw opet.

    Als het voorwerp een ding is, wordt voorzetsel + het → *er* + voorzetsel → *Ik vertrouw erop*. Het Nederlands zegt nooit *op het* voor een ding.

  • Vul in: *Ik denk vaak ___ jou.*
    • over
    • aan
    • op
    • van

    Iemand in gedachten houden is *denken aan* → *Ik denk aan jou.* *Nadenken over* betekent een beslissing overwegen, en dat is een andere betekenis.

Test jezelf

Question 1 of 5

Vul in: Ik wacht ___ de bus.

See also

  • erop, ermee, eraan: er + een voorzetsel
  • Kernvoorzetsels: in, op, aan, naar, van, met
  • waarmee, waarover: betrekkelijke voornaamwoorden met een voorzetsel