waarmee, waarover: betrekkelijke voornaamwoorden met een voorzetsel
Wanneer een Nederlandse betrekkelijke bijzin een voorzetsel nodig heeft: dingen gebruiken waar + voorzetsel (de stoel waarop ik zit), personen gebruiken voorzetsel + wie (de man met wie ik praat).
Een betrekkelijke bijzin voegt informatie toe aan een zelfstandig naamwoord: de man die daar staat. Zie die en dat voor de basisvormen. Deze pagina behandelt het geval waarin die bijzin ook een voorzetsel nodig heeft — het Engels zegt the book about which everyone talks, of the man with whom I work. Het Nederlands pakt die twee situaties anders aan, afhankelijk van of je het over een ding of een persoon hebt.
Hoe maak je het
Voor een ding vervang je die of dat door waar en plak je het voorzetsel eraan vast: de stoel waarop ik zit. Voor een persoon houd je het voorzetsel en gebruik je wie: de vrouw met wie ik werk.
- Bepaal: is het zelfstandig naamwoord een ding of een persoon?
- Voor een ding begin je met waar en zet je het voorzetsel er direct achter; de twee versmelten tot één woord: op → waarop, over → waarover, in → waarin, aan → waaraan, van → waarvan. Het boek waarover we praten.
- Voor een persoon zet je het voorzetsel voorop en laat je wie volgen: met wie, voor wie, aan wie. De docent met wie ik Nederlands oefen.
Twee voorzetsels veranderen van spelling als ze aan waar vastgaan: met wordt mee en tot wordt toe. Zo is het waarmee (niet waarmet) en waartoe. Dit is dezelfde verandering die je tegenkomt in erop, ermee, eraan en in vraagwoorden als waarmee? — zie vraagwoorden.
| Voorzetsel | Voor een ding (waar + voorzetsel) | Voorbeeld |
|---|---|---|
| op | waarop | de tafel waarop het ligt |
| over | waarover | het onderwerp waarover we spraken |
| in | waarin | het huis waarin ze woont |
| aan | waaraan | het idee waaraan ik denk |
| van | waarvan | de film waarvan ik hield |
| met | waarmee | de pen waarmee ik schrijf |
Waar losmaken van het voorzetsel
Bij dingen komen waar en het voorzetsel vaak los van elkaar, met andere woorden ertussen gewrongen. Zowel de aaneengeschreven als de gesplitste versie is correct, en de gesplitste is gebruikelijk in de spreektaal.
- Aaneen: de stoel waarop ik zit. Gesplitst: de stoel waar ik op zit. — dezelfde betekenis.
- Het probleem waar we het over hadden. Hier staat waar vooraan en schuift over naar het eind.
- De trein waar ik elke dag mee reis. De mee komt nog steeds van met.
Het voorzetsel schuift naar het eind van de bijzin, vlak voor de werkwoorden — dezelfde beweging die je bij er ziet: Ik reken erop wordt Ik reken er niet op.
Wanneer gebruik je het
- Voor een ding of een idee gebruik je altijd de waar-vorm — nooit op dat of met die. Zeg het onderwerp waarover of het onderwerp waar ... over, niet het onderwerp over dat.
- Voor een persoon gebruik je voorzetsel + wie: de buurman voor wie ik zorg, de vriendin aan wie ik het gaf.
- Let op: met blijft met vóór wie (met wie); het wordt alleen mee in het aaneengeschreven waarmee.
Veelgemaakte fouten
Twee fouten komen vaak voor. De eerste is een waar-vorm gebruiken voor een persoon. In de spreektaal hoor je misschien de arts waarmee ik een afspraak heb, maar verzorgd Nederlands, ook op het inburgeringsexamen, wil de arts met wie ik een afspraak heb — voorzetsel + wie voor personen. De tweede fout gaat de andere kant op: een voorzetsel vóór die of dat zetten voor een ding. Die en dat kunnen niet na een voorzetsel staan, dus de brief waar we het over hadden is correct, terwijl de brief over die we het hadden fout is.
- Vul in: *Dit is het huis ___ ik ben opgegroeid.*
- waarin
- in dat
- met wie
- waarmee
*Huis* is een ding, dus het voorzetsel *in* gaat aan *waar* vast → *waarin*. Je kunt het ook splitsen: *het huis waar ik in ben opgegroeid.*
- Wat is de standaard schrijftaalvorm?
- de man waarmee ik praat
- de man met wie ik praat
- de man met die ik praat
- de man mee wie ik praat
*Man* is een persoon, dus je houdt het voorzetsel en gebruikt *wie* → *met wie*. *Waarmee* voor een persoon hoor je in de spreektaal, maar het is niet de standaardvorm.
- Wat gebeurt er met *met* in *waar* + *met*?
- het blijft waarmet
- het wordt waarmee
- het wordt waarmet-e
- het valt weg
*Met* verandert in *mee* als het aan *waar* vastgaat → *waarmee* (zodat het uitspreekbaar blijft). *Tot* verandert op dezelfde manier, in *waartoe*.
- Zoek de fout: *De stoel over die we praatten is verkocht.*
- *stoel* moet *het stoel* zijn
- *over die* moet *waarover* zijn (of *waar ... over*)
- *praatten* moet *praten* zijn
- er is niets mis
Voor een ding kun je geen voorzetsel vóór *die* zetten. Gebruik *waarover*: *De stoel waarover we praatten*, of splits het: *De stoel waar we over praatten.*
- Vul in: *De vriendin ___ ik dit boek gaf, is jarig.*
- waaraan
- aan wie
- aan die
- waarmee
*Vriendin* is een persoon, dus gebruik je voorzetsel + *wie* → *aan wie*. De *waaraan*-vorm is voorbehouden aan dingen.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: Dit is het huis ___ ik ben opgegroeid.