Betrekkelijke voornaamwoorden die en dat: de man die, het boek dat
Hoe je een betrekkelijke bijzin aan een zelfstandig naamwoord koppelt: die voor de-woorden, dat voor het-woorden, met het werkwoord aan het eind van de bijzin.
Een betrekkelijk voornaamwoord verbindt een beschrijvende bijzin met een zelfstandig naamwoord, net zoals who en that in het Engels doen: de man die naast me woont, het boek dat ik lees. Het Nederlands heeft twee alledaagse betrekkelijke voornaamwoorden, die en dat, en de keuze ertussen hangt af van het geslacht van het zelfstandig naamwoord.
die of dat?
Gebruik die bij een de-woord en dat bij een het-woord. Dezelfde de/het-verdeling die je de man en het boek geeft, bepaalt ook het betrekkelijk voornaamwoord: die volgt op de man en dat volgt op het boek.
- Zoek het zelfstandig naamwoord dat de bijzin beschrijft (het antecedent) en kijk naar het lidwoord. De vrouw is een de-woord; het huis is een het-woord.
- Bij een de-woord gebruik je die: de vrouw die daar werkt, de fiets die ik koop.
- Bij een het-woord gebruik je dat: het huis dat te koop staat, het cadeau dat ik kreeg.
- Meervouden zijn altijd de-woorden, dus een meervoudig zelfstandig naamwoord krijgt altijd die, ook als het enkelvoud een het-woord is: het boek → de boeken die op tafel liggen.
| Antecedent | Lidwoord | Betrekkelijk voornaamwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| man | de | die | de man die daar staat |
| vrouw | de | die | de vrouw die ik ken |
| boek | het | dat | het boek dat ik lees |
| huis | het | dat | het huis dat leeg staat |
| kinderen (meervoud) | de | die | de kinderen die buiten spelen |
Waar het werkwoord staat
De die- of dat-zin is een bijzin, dus de persoonsvorm gaat naar het eind, net zoals na omdat of dat — zie de regel voor de persoonsvorm achteraan in een bijzin.
- De brief die gisteren aankwam, was voor jou. Het werkwoord aankwam staat aan het eind van de die-bijzin.
- Het restaurant dat we vaak bezoeken, is dicht. Bezoeken komt achteraan, en een komma sluit de bijzin af voordat de hoofdzin verdergaat.
- In geschreven taal wordt een bijzin die alleen extra informatie toevoegt, tussen komma's gezet: Mijn buurman, die al tachtig is, fietst nog elke dag.
Met een voorzetsel
Als het betrekkelijk voornaamwoord na een voorzetsel zou komen, hangt de keuze niet langer af van de/het, maar van het onderscheid tussen een persoon en een ding — wie voor een persoon (de collega met wie ik werk), een waar-vorm voor een ding (de stoel waarop ik zit). Dat geval heeft zijn eigen vormen en woordvolgorde, behandeld in betrekkelijke voornaamwoorden met een voorzetsel.
Veelgemaakte fouten
Wie het Engels gewend is, kiest het betrekkelijk woord vaak op betekenis — who voor een persoon, which of that voor een ding. Het Nederlands negeert dat en kijkt alleen naar het geslacht: die voor elk de-woord (persoon of ding), dat voor elk het-woord. Zo is het de tafel die (een ding, toch die, omdat tafel een de-woord is) maar het meisje dat (een persoon, toch dat, omdat meisje een het-woord is).
- Welk betrekkelijk voornaamwoord hoort bij een de-woord?
- die
- dat
- wat
- wie
*Die* verwijst naar de-woorden (en alle meervouden): *de man die*, *de auto die*. *Dat* is voor het-woorden.
- Vul in: *Het huis ___ we gekocht hebben, is oud.*
- die
- dat
- wie
- wat
*Huis* is een het-woord, dus het betrekkelijk voornaamwoord is *dat* → *het huis dat we gekocht hebben*.
- Vul in: *De boeken ___ op tafel liggen, zijn van mij.*
- dat, want boek is een het-woord
- die, want meervouden zijn altijd de-woorden
- wat, want het zijn voorwerpen
- wie, want het wijst naar meer dan één
Ook al is *het boek* een het-woord, het meervoud *de boeken* is een de-woord, dus het krijgt *die*.
- Welke zin heeft het werkwoord op de juiste plaats?
- De man die hier woont, is aardig.
- De man die woont hier, is aardig.
- De man woont die hier, is aardig.
- De man die hier is aardig, woont.
Een *die*/*dat*-bijzin stuurt het werkwoord naar het eind, dus *woont* komt achteraan: *De man die hier woont, ...*
- Vul in: *De vrouw met ___ ik samenwerk, komt uit Groningen.*
- die
- wie
- dat
- waarmee
Na een voorzetsel krijgt een persoon *wie*, niet *die*: *de vrouw met wie ik samenwerk*. Voor een ding zou je een *waar*-vorm gebruiken (*waarmee*).
Test jezelf
Question 1 of 5
Welk betrekkelijk voornaamwoord hoort bij een de-woord?