De of het: welk bepaald lidwoord kies je?
In het Nederlands gebruik je de bij de meeste zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en bij elk bepaald meervoud. Het hoort bij een kleinere groep in het enkelvoud. Leer het patroon en het effect op woorden eromheen.
de man, maar het huis: in het enkelvoud kies je in het Nederlands tussen twee bepaalde lidwoorden. Taalkundigen noemen de de-groep het gemeenschappelijk geslacht; daarin zijn de oude mannelijke en vrouwelijke categorieën samengekomen. De het-groep heet onzijdig. Leer bij elk zelfstandig naamwoord meteen het lidwoord van het enkelvoud.
Enkelvoud: de of het; meervoud: de
de stoel, het bed, maar in het meervoud de stoelen en de bedden: het getal verandert het patroon van het lidwoord. De meeste zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud krijgen de. Een kleinere groep krijgt het. Er is geen betrouwbare regel die voor elk zelfstandig naamwoord het lidwoord voorspelt.
- Enkelvoud, gemeenschappelijk geslacht: de stoel.
- Enkelvoud, onzijdig: het bed.
- Bepaald meervoud, ongeacht de groep in het enkelvoud: de stoelen, de bedden.
| Getal | Enkelvoudige de-groep | Enkelvoudige het-groep |
|---|---|---|
| Enkelvoud | de stoel | het bed |
| Meervoud | de stoelen | de bedden |
een stoel en een bed gebruiken hetzelfde onbepaalde lidwoord: een. Kijk naar het bepaalde enkelvoud om de groep te vinden: de stoel of het bed. Sommige zelfstandige naamwoorden laten zowel de als het toe, soms met een betekenisverschil. Controleer de bedoelde betekenis als een woordenboek beide vormen noemt.
Waarom het lidwoord ertoe doet
een kleine tuin, maar een klein huis: de groep van het enkelvoud beïnvloedt ook de woorden rond het zelfstandig naamwoord. Deze tabel toont het gewone basispatroon.
| Vorm van het zelfstandig naamwoord | Bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord | Aanwijzend woord | Betrekkelijk woord |
|---|---|---|---|
| Enkelvoud de | een kleine tuin; de kleine tuin | deze; die | die |
| Enkelvoud het | een klein huis; het kleine huis | dit; dat | dat |
| Meervoud | de kleine tuinen; de kleine huizen | deze; die | die |
Bij gewone bijvoeglijke naamwoorden mist alleen de onbepaalde enkelvoudige het-vorm de uitgang -e: een klein huis. Bepaalde vormen krijgen -e: het kleine huis en de kleine tuin. In informele spreektaal hoor je soms wat in plaats van dat na een enkelvoudig zelfstandig naamwoord uit de het-groep. Gebruik in het gewone patroon van de schrijftaal dat. Lees meer over de uitgang -e van het bijvoeglijk naamwoord.
Hoe leer je het lidwoord van elk zelfstandig naamwoord?
het raam, niet alleen raam: leer het lidwoord van het enkelvoud en het zelfstandig naamwoord als één woordenschatitem. Zo onthoud je de groep bij het zelfstandig naamwoord.
- Schrijf de hele woordgroep op kaartjes en in notities: de tafel, niet alleen tafel.
- Een verkleinwoord stelt iets als klein of vertrouwd voor. Elk verkleinwoord in het enkelvoud hoort bij de het-groep: de tuin → het tuintje. Het bepaalde meervoud gebruikt nog steeds de: de tuintjes. Lees welke zelfstandige naamwoorden het krijgen.
- Andere patronen in betekenis en uitgangen zijn nuttige tendensen, geen garanties. Gebruik welke zelfstandige naamwoorden de krijgen voor de belangrijkste aanwijzingen. Controleer daarna onbekende woorden in een woordenboek.
- Kun je het niet controleren en weet je het lidwoord niet, gok dan de. De meeste zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud horen bij die groep.
Laat de/het en de rest van de naamwoordgroep overeenkomen
het boek → de boeken. Het bepaalde meervoud gebruikt de, ook als het enkelvoud het gebruikt.
een goed boek → het goede boek. Een gewoon bijvoeglijk naamwoord krijgt -e in een bepaalde woordgroep.
dit goede boek is juist; deze goede boek niet. boek hoort in het enkelvoud bij de het-groep. Gebruik daarom dit en niet deze.
- Welk bepaald lidwoord krijgt het meervoud *huizen*?
- *het*, zoals in het enkelvoud *het huis*
- *de*, want elk bepaald meervoud gebruikt *de*
- *een*
- geen lidwoord
Elk bepaald meervoud gebruikt *de*, ongeacht het enkelvoud. *het huis* → *de huizen*.
- Vul in: *___ vrouw woont hier.*
- *De*
- *Het*
- *Een*
- *Dit*
*vrouw* hoort bij de *de*-groep. De bepaalde woordgroep is dus *de vrouw*.
- *het bed* hoort bij de *het*-groep. Welke woordgroep is juist?
- *deze bed*
- *die bed*
- *dit bed*
- *de bed*
Een enkelvoudig zelfstandig naamwoord uit de *het*-groep gebruikt *dit* voor iets dichtbij: *dit bed*.
- Waarom is *de* de veiligere gok als je het lidwoord van een zelfstandig naamwoord niet kent?
- *het* wordt alleen in het meervoud gebruikt
- De meeste zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud horen bij de *de*-groep
- *de* wordt alleen voor personen gebruikt
- *het* bestaat niet in het enkelvoud
De meeste zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud krijgen *de*. Een onbekend zelfstandig naamwoord hoort daarom waarschijnlijker bij de *de*-groep. Het blijft een gok, geen regel.
- Welk betrekkelijk woord past: *het huis ___ ik koop*?
- *die*
- *dat*
- *wie*
- *deze*
*het huis* hoort bij de *het*-groep. Het betrekkelijke woord is dus *dat*: *het huis dat ik koop*. Een enkelvoudig zelfstandig naamwoord uit de *de*-groep krijgt *die*.
Test jezelf
Question 1 of 5
Welk bepaald lidwoord krijgt het meervoud huizen?