erop, ermee, eraan: voorzetsel + het/ze voor dingen
Bij een ding kan het Nederlands voorzetsel + het/ze vervangen door er plus hetzelfde voorzetsel, aaneengeschreven of gesplitst in de zin.
Als een voorzetsel terugverwijst naar een ding, zet het Nederlands er normaal vóór dat voorzetsel: Ik wacht op de trein. → Ik wacht erop. Dezelfde twee delen kunnen ook uit elkaar staan: Ik heb er lang op gewacht. Hier verwijst er naar een bekend voorwerp, dier, idee of situatie. Deze constructie heet vaak een voornaamwoordelijk bijwoord.
Behoud het voorzetsel van de constructie
Het werkwoord, bijvoeglijk naamwoord of de uitdrukking bepaalt het voorzetsel; er doet dat niet. Begin met de volledige vaste combinatie van werkwoord + voorzetsel en behoud dat voorzetsel wanneer je een object vervangt dat naar een ding verwijst.
- Zoek het vaste voorzetsel: wachten op, denken aan, praten over.
- Vervang dat ding door er en behoud het voorzetsel: Ik wacht op het rapport. → Ik wacht erop.
- Als de twee delen naast elkaar staan, schrijf je ze als één woord. Twee vormen veranderen: met wordt mee in ermee en tot wordt toe in ertoe.
| Vaste combinatie | Aaneengeschreven vorm | Gesplitst voorbeeld |
|---|---|---|
| rekenen op | erop | Ik reken er niet op. |
| denken aan | eraan | Ik denk er vaak aan. |
| geloven in | erin | Ik geloof er nog steeds in. |
| praten over | erover | We hebben er gisteren over gepraat. |
| het eens zijn met | ermee | Ik ben het er niet mee eens. |
| dwingen tot | ertoe | Ze hebben me er uiteindelijk toe gedwongen. |
Dingen en personen volgen verschillende patronen
Bij een persoon behoud je meestal het voorzetsel plus een naam of een beklemtoond persoonlijk voornaamwoord: Ik wacht op Noor. / Ik wacht op haar. Bij een ding gebruik je er: Ik wacht op de bus. → Ik wacht erop. De combinatie op het is dus niet altijd fout. Ze is normaal als het het lidwoord vóór een zelfstandig naamwoord is, zoals in op het rapport. Vermijd alleen een los op het met de betekenis voor dat ding.
Aaneengeschreven en gesplitste plaatsing
Als er en het voorzetsel naast elkaar staan, vormen ze één geschreven woord. Staat er zinsmateriaal tussen, dan schrijf je de twee delen los. Bij veel combinaties zijn zowel de aaneengeschreven als de gesplitste vorm normaal. Een bepaling toevoegen betekent niet automatisch dat elke vorm moet splitsen. Onbeklemtoond er staat vaak vroeg in de zin, waardoor gesplitste vormen veel voorkomen.
- Zonder tussenliggende woorden: Ik reken erop. We praten erover.
- Met tussenliggende woorden: Ik reken er niet op. Ik heb er lang op gewacht.
- Vóór een werkwoordgroep aan het einde: Ik zal er morgen op letten. Ik heb er lang op moeten wachten.
- In een bijzin staat de werkwoordgroep aan het einde, maar er blijft vóór het bijbehorende voorzetsel staan: ... omdat ik er lang op heb gewacht.
In een gesplitste vorm kan het latere voorzetsel los lijken te staan, maar de verwijzing is compleet doordat er ernaar verwijst: Ik wacht er nog op. Vragen over dingen werken hetzelfde. Waarop wacht je? en Waar wacht je op? hebben dezelfde betekenis. De tweede vraag is een normale gesplitste vorm, geen zin met een vergeten object.
Kies het verwijswoord
| Vorm | Verwijzing | Voorbeeld |
|---|---|---|
| er + voorzetsel | eerder genoemde dingen | Ik werk ermee. |
| hier + voorzetsel | dit / deze | Hiermee open je de deur. |
| daar + voorzetsel | dat / die | Daar ben ik het niet mee eens. |
| waar + voorzetsel | wat / welk ding | Waar wacht je op? |
In de tabel verwijzen alle vier de woorden naar dingen, niet naar letterlijke plaatsen. Hier, daar en waar kunnen ook aan hun voorzetsel vastzitten of ervan gescheiden zijn: hiermee / hier ... mee, daarop / daar ... op, waarover / waar ... over. Voor een persoon gebruik je voorzetsel + wie: Op wie wacht je? Bekijk waarmee, waarover voor het patroon in betrekkelijke bijzinnen.
Controleer welk gebruik van er je hebt
Het er in deze les verwijst terug naar een ding en heeft een bijbehorend voorzetsel. Andere gebruiken herken je met andere tests. Er staat een fiets buiten. introduceert het bestaan van iets. In Ik heb er drie. hoort er bij een hoeveelheid. Ik woon in Utrecht. → Ik woon er. gebruikt plaatsaanduidend er, dus het oorspronkelijke voorzetsel in blijft niet automatisch staan. Vergelijk dat laatste voorbeeld met een echte verwijzing naar een ding: Ik geloof in dat plan. → Ik geloof erin.
Veelgemaakte fouten
- Vertaal de Engelse combinaties 'for it' en 'with it' niet woord voor woord als op het of met het. Gebruik erop of ermee. Behoud het na het voorzetsel alleen als het een zelfstandig naamwoord inleidt: op het plan, met het gereedschap.
- Dwing niet elke bepaling in één plaatsingsregel. Ik denk eraan. en Ik denk er vaak aan. zijn allebei correct; de hele zin bepaalt of je de vorm aaneenschrijft of splitst.
- Gebruik de vorm voor dingen niet voor een persoon: Ik praat met hem., niet Ik praat ermee met die betekenis.
- Houd een behouden voorzetsel apart van het deel van een scheidbaar werkwoord. In Daar tel ik de btw bij op. hoort bij bij daar, terwijl op bij het werkwoord optellen hoort.
- Welke zin gebruik je als je op een ding wacht, met *wachten op*?
- *Ik wacht op het.*
- *Ik wacht erop.*
- *Ik wacht het op.*
- *Ik wacht op hem.*
De verwijzing naar een ding wordt *er*, terwijl *op* bij *wachten* blijft: *Ik wacht erop.* Een volledige woordgroep zoals *op het rapport* is correct, maar een los *op het* kan hier niet naar een ding verwijzen.
- Welke gesplitste zin gebruik je als je zegt dat je niet aan een ding denkt?
- *Ik denk eraan niet.*
- *Ik denk er niet aan.*
- *Ik denk aan er niet.*
- *Ik er denk niet aan.*
In de gesplitste vorm staat onbeklemtoond *er* vroeg en volgt het behouden *aan* na *niet*: *Ik denk er niet aan.*
- Welke aaneengeschreven vorm betekent 'met iets'?
- *ermet*
- *eraan*
- *ermee*
- *erbij*
Het voorzetsel *met* verandert in *mee* na *er*; zo ontstaat *ermee*. Zo verandert *tot* ook in *toe* in *ertoe*.
- Welke zin gebruikt de vorm met de betekenis 'dat'?
- *Ik ben het dat niet mee eens.*
- *Ik ben het daar niet mee eens.*
- *Ik ben het waar niet mee eens.*
- *Ik ben het daar niet met eens.*
Verwijzend *daar* betekent dat en *met* wordt de latere vorm *mee*: *Ik ben het daar niet mee eens.*
- Je wacht op Noor. Welke zin is correct?
- *Ik wacht erop.*
- *Ik wacht op haar.*
- *Ik wacht eraan.*
- *Ik wacht waar op.*
Noor is een persoon, dus behoud *op* vóór het persoonlijk voornaamwoord *haar*: *Ik wacht op haar.* Gebruik *erop* voor een ding.
Test jezelf
Question 1 of 5
Welke zin gebruik je als je op een ding wacht, met wachten op?