erop, ermee, eraan: er + een voorzetsel
Voor dingen maakt het Nederlands van voorzetsel + het/ze een er + voorzetsel (erop, ermee, eraan), vaak gesplitst over de zin.
In het Nederlands kun je geen voorzetsel voor het dingvoornaamwoord het of ze zetten. In plaats daarvan wordt het voornaamwoord er en haakt het voorzetsel er aan de achterkant aan: op het â erop, met het â ermee, aan het â eraan. Waar wacht je op? â Ik wacht erop. Grammaticaboeken noemen zo'n combinatie van er + voorzetsel een voornaamwoordelijk bijwoord.
Hoe vorm je het
Neem het voorzetsel dat bij het werkwoord hoort en plak het als één woord achter er: er + voorzetsel. Het vervangt voorzetsel + het/ze zodra dat 'het' een ding is en geen persoon.
- Zoek het voorzetsel: denken aan, wachten op, houden van.
- Haak het aan er vast: eraan, erop, ervan. Ik hou van deze stad â Ik hou ervan.
- Twee voorzetsels veranderen hier van vorm: met wordt mee â ermee, en tot wordt toe â ertoe.
| Voorzetsel | er-vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| op | erop | Ik reken erop. |
| aan | eraan | Ik denk er niet aan. |
| in | erin | Ik geloof erin. |
| over | erover | We praten erover. |
| met â mee | ermee | Ben je het ermee eens? |
| van | ervan | Ik weet er niets van. |
Deze truc geldt alleen voor dingen. Als het object een persoon is, houd je het gewone voorzetsel + persoonlijk voornaamwoord: Ik wacht op hem, niet ik wacht erop in die betekenis. Voor personen na een voorzetsel gebruikt het Nederlands hem/haar/hen; voor dingen er.
De splitsing: er ... voorzetsel
Heel vaak worden er en het voorzetsel uit elkaar getrokken, met andere woorden ertussen. De er schuift naar voren in de zin en het voorzetsel zakt naar achteren, vlak vóór eventuele werkwoorden aan het eind.
- Voeg een woord als niet of nog toe en het paar splitst: Ik reken erop â Ik reken er niet op.
- Een tijdwoord splitst het ook: Ik heb er lang op gewacht.
- In een langere zin belandt het voorzetsel vlak vóór het werkwoord aan het eind: Ik heb er nog nooit over nagedacht.
Wanneer gebruik je het
- Na een werkwoord met een vast voorzetsel, als het object een ding is dat je al genoemd hebt: wachten op â erop, denken aan â eraan, zoeken naar â ernaar.
- Om over een ding te antwoorden of door te praten zonder het zelfstandig naamwoord te herhalen: Wat vind je van de film? â Ik vind er niets aan.
- De vraag- en betrekkelijke varianten werken op dezelfde manier met waar: waarop, waarmee, waarover (zie waarmee, waarover).
Veelgemaakte fouten
Veel mensen zeggen hier per ongeluk met het of op het. Maar het Nederlands staat hier geen voorzetsel vóór het toe â zeg ermee en erop. De tweede veelgemaakte fout is vergeten te splitsen: zodra je er een woord bij zet, komen er en het voorzetsel uit elkaar. Ik denk eraan niet is fout; het is Ik denk er niet aan.
- Hoe druk je uit dat je op iets (een ding) wacht, bij het werkwoord *wachten op*?
- Ik wacht op het.
- Ik wacht erop.
- Ik wacht het op.
- Ik wacht op hem.
*Op het* mag niet; het voornaamwoord wordt *er* en het voorzetsel haakt erachter: **Ik wacht erop.** *Op hem* zou over een persoon gaan.
- Vul in: *Ik denk ___ niet ___.* â werkwoord *denken aan*
- eraan / (niets)
- er / aan
- aan / er
- eraan / aan
Omdat *niet* ertussen staat, splitsen *er* en *aan*: **Ik denk er niet aan.**
- Welk voorzetsel verandert van vorm in een *er*-woord?
- op â erop
- in â erin
- met â ermee
- over â erover
*Met* wordt hier *mee*: *met het* â **ermee**. *Tot* wordt net zo *toe* â *ertoe*. De andere houden hun vorm.
- Welke zin is correct om te vragen of iemand het ergens mee eens is?
- Ben je het met het eens?
- Ben je het ermee eens?
- Ben je het eraan eens?
- Ben je het ermet eens?
*Met het* mag niet en *met* wordt *mee*, wat **ermee** geeft: *Ben je het ermee eens?*
- Wanneer gebruik je *er* + voorzetsel NIET?
- als het object een ding is
- als het object een persoon is
- na *denken aan*
- als er *niet* bij komt
Voor een persoon houd je het voorzetsel + persoonlijk voornaamwoord (*op hem*, *aan haar*); *er* is alleen voor dingen.
Test jezelf
Question 1 of 5
Hoe druk je uit dat je op iets (een ding) wacht, bij het werkwoord wachten op?