Er is / er zijn: zeggen dat iets bestaat of aanwezig is
Gebruik er is en er zijn om een nieuwe persoon of zaak te introduceren. Stem het werkwoord af op het onderwerp dat volgt en zet er op de juiste plaats.
Er is een probleem. en Er zijn veel toeristen in de stad. kondigen iets nieuws aan. Dit heet presentatief er. Met zijn geeft de constructie aan dat iets bestaat of aanwezig is. Er verwijst hier niet naar een plaats. Het nieuwe onderwerp kan daardoor na het werkwoord staan.
Zo gebruik je er is en er zijn
Er is een pakket voor je. kondigt één pakket aan. Het onderwerp een pakket is enkelvoud, dus staat er is. In Er zijn twee pakketten voor je. is twee pakketten meervoud, dus staat er zijn. Het werkwoord hoort bij het onderwerp dat later in de zin staat, niet bij er. Bouw een neutrale mededeling in drie stappen op:
- Begin een neutrale mededeling met er: Er ...
- Kies de werkwoordsvorm die bij het latere onderwerp past: Er is bij een enkelvoudig onderwerp en Er zijn bij een meervoudig onderwerp.
- Voeg het nieuwe onderwerp en eventuele details toe: Er zijn nog kaartjes voor de film.
Gebruik andere werkwoorden met presentatief er
Er staat een fiets in de gang. gebruikt staan in plaats van zijn. Presentatief er komt ook voor met liggen, zitten, hangen, komen en wonen. Elk werkwoord behoudt zijn gewone betekenis. Kies dus een werkwoord dat bij het onderwerp of zijn positie past.
| Voorbeeld | Wat het werkwoord toevoegt |
|---|---|
| Er staan twee fietsen in de gang. | Positie op wielen of poten |
| Er ligt een brief op de mat. | Plat op een oppervlak |
| Er zit iemand op mijn plek. | Een persoon op een zitplaats |
| Er hangen wolken boven de stad. | Zwevend boven de stad |
| Er komen vanavond gasten. | De gasten arriveren vanavond |
| Er wonen veel studenten in deze buurt. | De studenten hebben hier hun woonplaats |
Plaats er in mededelingen en vragen
| Zinstype | Begin | Werkwoord en er | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| Neutrale mededeling | er | er vóór het werkwoord | Er is een probleem. |
| Mededeling met een tijdsbepaling | Tijdsbepaling | Werkwoord op de tweede plaats, daarna er | Vandaag is er een probleem. |
| Ja-neevraag | Werkwoord | Eerst het werkwoord, daarna er | Is er een probleem? |
| Vraagwoordvraag | Vraagwoord | Na het vraagwoord het werkwoord, daarna er | Wat is er gebeurd? |
In de kast staan (er) nog glazen. begint met een plaatsbepaling. Presentatief er is na zo'n begin soms optioneel. Weglating hangt af van context, regio en stijl. Een plaatsbepaling kan met of zonder presentatief er voorkomen.
Gebruik presentatief er voor nieuwe, onbepaalde informatie
Er staat een fiets in de gang. introduceert een fiets als nieuwe informatie. In dit neutrale patroon hoort presentatief er normaal bij een onbepaald onderwerp: een persoon of zaak die nog niet is aangewezen of genoemd. Zo'n onderwerp begint vaak met een, een getal of helemaal geen lidwoord. De pagina over het onbepaalde lidwoord en geen lidwoord legt deze vormen uit. Gebruik dit patroon in vier veelvoorkomende situaties:
- Kondig een of meer nieuwe zaken aan: Er staat een fiets in de gang. Er zijn nog kaartjes.
- Zeg dat er niets is: gebruik geen vóór een zelfstandig naamwoord in Er is geen les., of gebruik woorden als niets en niemand: Er is niets gebeurd. Er is niemand thuis.
- Vraag of er iets aanwezig is of wat er aanwezig is: Is er iets? Zijn er meer vragen? Wie komt er?
- Introduceer iemand in een verhaal: Er was eens een koning.
Een fiets heeft twee wielen. is een algemene uitspraak over een categorie en heeft daarom geen presentatief er. In Een monteur heeft mijn fiets gerepareerd. bedoelt de spreker één specifieke maar niet nader genoemde monteur. Ook deze lezing heeft geen presentatief er. Mijn buurman komt vanavond. heeft evenmin presentatief er. Mijn is een bezittelijk woord: het laat zien van wie of waarvan iets is. Onderwerpen die beginnen met de, het, een bezittelijk woord of een naam zijn bepaald en krijgen normaal geen presentatief er. Het lidwoord een bepaalt het patroon niet op zichzelf. De context bepaalt of je nieuwe, niet-specifieke informatie presenteert.
Onderscheid presentatief er van het en andere functies
| Vorm/gebruik | Voorbeeld | Functie |
|---|---|---|
| Presentatief er | Er is een probleem. | Introduceert iets nieuws of iets wat aanwezig is. |
| Loos onderwerp het | Het regent. | Vult de vereiste onderwerpsplaats als geen persoon of ding de handeling uitvoert. Zie loos onderwerp het. |
| het als voornaamwoord | Het is een probleem. | Beoordeelt een persoon, zaak of situatie die al uit de context bekend is. |
| Plaatsverwijzend er | De fiets staat er. | Verwijst naar een plaats en betekent daar. |
| Kwantitatief er | Ik heb er twee. | Vervangt een geteld zelfstandig naamwoord. Zie kwantitatief er. |
| Voorzetsel-er | Ik denk eraan. | Vormt een combinatie met een voorzetsel. Zie voorzetsel-er. |
- Vul in: *___ een probleem met de verwarming.*
- *Er is*
- *Het is*
- *Er zijn*
- *Er ben*
Het latere onderwerp *een probleem* is enkelvoud, dus het werkwoord is *is*: *Er is een probleem met de verwarming.* *Het is een probleem.* zou betekenen dat iets wat al uit de context bekend is een probleem vormt.
- Welke zin betekent dat er veel mensen in de winkel zijn?
- *Er is veel mensen in de winkel.*
- *Er zijn veel mensen in de winkel.*
- *Het is veel mensen in de winkel.*
- *Er ben veel mensen in de winkel.*
Het latere onderwerp *veel mensen* is meervoud. Het werkwoord past bij dat onderwerp en niet bij *er*, dus heb je *Er zijn* nodig.
- Welke zin kondigt neutraal aan dat er drie stoelen zijn, zonder een plaats aan te wijzen?
- *Het zijn drie stoelen.*
- *Er zijn drie stoelen.*
- *Er is drie stoelen.*
- *Daar zijn drie stoelen.*
*Er zijn drie stoelen.* presenteert drie stoelen als nieuwe informatie. *Het zijn drie stoelen.* benoemt bekende zaken als drie stoelen, terwijl *daar* naar een plaats verwijst.
- Welk onderwerp past het best in een neutrale zin met presentatief *er*?
- *mijn moeder*
- *de directeur*
- *een oude man*
- *Jan*
*Een oude man* kan een nieuwe, niet-specifieke persoon introduceren: *Er woont een oude man in ons dorp.* De andere opties zijn bepaald. De context blijft bepalend: *een* vereist niet altijd *er*.
- Vul in: *___ staat een auto voor de deur.* Kies een neutrale mededeling zonder plaatswoord.
- *Er*
- *Het*
- *Hier*
- *Daar*
*Er staat een auto voor de deur.* presenteert *een auto* neutraal. *Het* zou naar iets bekends verwijzen en kan daarom hier niet *een auto* introduceren. *Hier* betekent op deze plaats. *Daar* betekent op die plaats. Beide plaatswoorden voegen een plaatsbetekenis toe.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: ___ een probleem met de verwarming.