Hoeveelheids-er: Ik heb er drie
Gebruik de hoeveelheids-er met een getal of hoeveelheidsaanduiding als je een telbaar zelfstandig naamwoord weglaat dat duidelijk is uit de context.
Hoeveel appels heb je? Ik heb er drie. Het getal drie blijft staan en uit de vraag begrijp je het zelfstandig naamwoord appels. Dit is de hoeveelheids-er. Die verwijst naar een telbaar zelfstandig naamwoord dat duidelijk is uit de context.
Gebruik er als een telbaar zelfstandig naamwoord is weggelaten
We hebben zes stoelen. We verkopen er twee. Een hoofdtelwoord of hoeveelheidsaanduiding kan blijven staan als het herhaalde telbare zelfstandig naamwoord verdwijnt. Uit de context moet nog steeds duidelijk zijn wat je telt.
- Begin met de volledige naamwoordgroep: We verkopen twee stoelen.
- Behoud de hoeveelheid twee en laat het herhaalde zelfstandig naamwoord stoelen weg.
- Voeg er toe op de normale plaats in de zin: We verkopen er twee.
| Soort hoeveelheid | Met het zelfstandig naamwoord | Met hoeveelheids-er |
|---|---|---|
| Hoofdtelwoord | drie boeken | Ik heb er drie. |
| Hoeveelheidswoord | veel boeken | Ik heb er veel. |
| Hoeveelheidsaanduiding met meerdere woorden | een paar boeken | Ik heb er een paar. |
| Hoeveelheid nul | geen boeken | Ik heb er geen. |
| Maataanduiding | een kilo of twee appels | Daar liggen er nog een kilo of twee. |
Behoud volledige hoeveelheidsaanduidingen
Ik heb er één. Ik heb er een paar. Behoud één, want dit is het getal één. Behoud een in een paar en een stuk of tien, want het woord hoort bij de hoeveelheidsaanduiding. Andere veelgebruikte mogelijkheden zijn weinig, meer en genoeg.
Gebruik hoeveelheids-er als je een aantal of hoeveelheid uit de groep in de context bedoelt, niet een specifieke verzameling. Laat geen woord als de vóór het getal staan: er de drie is uitgesloten. Gebruik Ik heb die drie. voor drie specifieke zaken. Gebruik Ik heb er drie. voor drie willekeurige zaken uit de groep. Alle verwijst naar de hele verzameling en past daarom ook niet in dit patroon. Zeg Ik heb ze allemaal.
Gebruik telbare zelfstandige naamwoorden en toegestane bepalingen
Wil je nog wijn? Ik heb nog genoeg. De hoeveelheids-er verwijst in het Standaardnederlands naar telbare zelfstandige naamwoorden zoals glazen, niet naar een niet-telbaar zelfstandig naamwoord zoals wijn. Zeg Ik heb er genoeg. als de context genoeg glazen bedoelt. Zeg Ik heb genoeg. als het om genoeg wijn gaat.
Ik heb vier mokken. Mijn zus heeft er drie met een blauw oor. Na de hoeveelheid kan een voorzetselgroep staan. Er kan ook een betrekkelijke bijzin op volgen: Ik heb er drie die nog werken. Een bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord kan in het Standaardnederlands normaal niet blijven staan bij hoeveelheids-er. Herhaal het zelfstandig naamwoord in plaats van er drie blauwe te schrijven.
Plaats er vóór de hoeveelheid in het middenstuk
Ik heb er gisteren drie gekocht. Bij neutrale woordvolgorde staat onbeklemtoond er vroeg na de persoonsvorm en normaal vóór de hoeveelheid. Er kunnen andere woorden tussen staan. De twee hoeven dus niet naast elkaar te staan.
- Ja-neevraag: Heb je er nog twee?
- Hoeveel-vraag: Hoeveel heb je er gekocht? Het vraagwoord gaat naar voren.
- Hoeveelheid voorop voor nadruk: Drie heb ik er gekocht.
Gebruik de hoeveelheid voor ontkenning en werkwoordsovereenkomst
Hoeveel kaartjes heb je? Ik heb er geen. Gebruik geen voor de hoeveelheid nul. Zet niet vóór een andere hoeveelheid om die te ontkennen: Ik heb er niet veel.
Een existentiële er en een hoeveelheids-er kunnen samen voorkomen. In Er staat er nog één. introduceert de eerste er het onderwerp en verwijst de tweede naar het weggelaten telbare zelfstandig naamwoord. Vergelijk Er staan er nog twee. De persoonsvorm staat in het enkelvoud bij één en in het meervoud bij meer dan één telbaar element. Een maataanduiding kan als hoeveelheid blijven staan: Daar liggen nog een kilo of twee appels. Daar liggen er nog een kilo of twee. De meervoudsvorm liggen komt overeen met het weggelaten woord appels.
Houd hoeveelheids-er apart van de andere functies
| Functie | Voorbeeld | Wat er doet |
|---|---|---|
| Hoeveelheids-er | Ik heb er drie. | Verwijst naast een hoeveelheid naar het weggelaten telbare zelfstandig naamwoord |
| Existentiële of presentatieve er | Er staan drie fietsen buiten. | Introduceert een onderwerp dat nog niet is bepaald |
| Plaatsaanduidende er | Ik woon er al twee jaar. | Betekent 'daar' en verwijst naar een plaats |
| Voorzetsel-er | Ik wacht erop. | Vormt met een voorzetsel een verwijzing naar een zaak |
- Vul in: *Hoeveel broers heb je? — Ik heb ___ twee.* (Vul het ontbrekende woord in.)
- *er*
- *ze*
- *die*
- *het*
Het telbare zelfstandig naamwoord *broers* is duidelijk uit de context en het getal *twee* blijft staan. Gebruik hoeveelheids-*er*: *Ik heb er twee.*
- Waarom is *Ik heb drie* fout als antwoord op de vraag hoeveel je er hebt?
- *drie* moet vooraan staan
- In het Nederlands is *er* nodig als het getelde zelfstandig naamwoord wordt weggelaten
- je moet het zelfstandig naamwoord herhalen
- *heb* moet *heeft* zijn
In dit patroon kan een los hoofdtelwoord een duidelijk telbaar zelfstandig naamwoord niet vervangen. Voeg *er* toe: *Ik heb er drie.*
- Welke zin is juist?
- *Er staan veel er in de garage.*
- *Ik heb er genoeg.*
- *Ik heb genoeg er.*
- *Ik er heb twee.*
Als een telbaar zelfstandig naamwoord is weggelaten, staat *er* in een neutrale zin normaal vóór *genoeg*: *Ik heb er genoeg.*
- Vul in: *Wil je nog een koekje? — Nee, ik heb ___ al vier gegeten.* (Vul het ontbrekende woord in.)
- *ze*
- *er*
- *die*
- *van*
Uit de context begrijp je het telbare zelfstandig naamwoord *koekjes* en *vier* geeft de hoeveelheid. Gebruik *er*: *Ik heb er al vier gegeten.*
- Waarom staat in *Er zijn er nog maar twee* het woord *er* twee keer?
- het is een spellingsregel
- de ene *er* introduceert het bestaan, de andere vervangt het getelde zelfstandig naamwoord
- de tweede *er* is een tikfout
- *twee* heeft twee keer *er* nodig
De eerste *er* is existentieel of presentatief. De tweede is de hoeveelheids-er en verwijst naar het weggelaten telbare zelfstandig naamwoord.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: Hoeveel broers heb je? — Ik heb ___ twee. (Vul het ontbrekende woord in.)