Inburgering.org Logo

Inburgering.org

  • Cursussen
  • Exameninfo
  • Podcasts
  • Gratis
Inburgering.org Logo

Inburgering.org

Prijzen

Exameninfo

Podcasts

Grammatica

Privacybeleid

Algemene voorwaarden

Veelgestelde vragen

Contact

Partners

Luisteren

A1

A2

B1

B2

Lezen

A1

A2

B1

B2

Spreken

A1

A2

B1

B2

Schrijven

A1

A2

B1

B2

Inburgering

A1

A2

B1

B2

KNM

KNS

Hulp nodig?
Neem contact met ons op via info@inburgering.org

Word lid van onze community:

Instagram

Oefenbot

Telegram-groep

Facebook-groep:

A1

A2

B1

B2

Telegram-kanalen:

A1

A2

B1

B2

© 2026 Inburgering.org. Alle rechten voorbehouden.

Inburgering.org/Grammar/Na de werkwoordelijke eindgroep: achterzetsels en voorzetselgroepen

Na de werkwoordelijke eindgroep: achterzetsels en voorzetselgroepen

Hoe Nederlandse achterzetsels van richting (de trap op, het bos in) aan de rechterkant van de zin staan, en welke onderdelen achter de laatste werkwoorden mogen komen.

In een Nederlandse zin klitten de niet-vervoegde werkwoorden achteraan samen in een werkwoordelijke eindgroep: Ik heb een boek gelezen. Een kleine groep elementen mag nog verder naar rechts staan, achter die werkwoorden, en één woordsoort — het achterzetsel — kruipt er vlak vóór tegen de rand aan: Ze liep de kamer uit. Deze pagina laat zien wat aan de rechterkant hoort en wat binnen moet blijven.

Het achterzetsel: een voorzetsel achter zijn zelfstandig naamwoord

Een achterzetsel is een gewoon voorzetsel (in, op, uit, over, om, af) dat achter het zelfstandig naamwoord staat, waar het beweging in een richting aangeeft in plaats van een vaste plaats. Zet hetzelfde woord vóór het zelfstandig naamwoord en je krijgt een plaats; zet het erachter en je krijgt een richting.

Vóór het zelfstandig naamwoord (plaats)Achter het zelfstandig naamwoord (richting)
op de trapde trap op
in het boshet bos in
op de brugde brug op
om de hoek (vlakbij)de hoek om (draaiend)

Een achterzetsel gaat bijna altijd samen met een werkwoord van beweging — lopen, rennen, rijden, fietsen, gaan: De hond rende het bos in. Omdat het beweging naar een doel beschrijft, krijgt de voltooide tijd zijn: Hij is het bos in gelopen. Voor de uitgebreidere lijst van deze voorzetsels en hun gewone betekenis, zie kernvoorzetsels.

Waar het achterzetsel staat, hangt af van hoeveel werkwoorden de zin heeft. Bij één werkwoord komt het zelfstandig naamwoord + achterzetsel helemaal achteraan: Ik loop de trap op. Bij meer dan één werkwoord staat het vlak vóór de werkwoordelijke eindgroep: Ik ben de trap op gelopen.

Wat achter de werkwoordelijke eindgroep mag komen

Maar een paar onderdelen mogen naar rechts van de laatste werkwoorden — vooral een voorzetselgroep en bijwoordelijke bepalingen van tijd, wijze of plaats — en het Nederlands doet dit graag als het onderdeel lang is.

  • Een voorzetselgroep (een voorzetsel + zijn zelfstandig naamwoord): Ik heb gisteren lang gepraat met de nieuwe buren. Het zou binnen kunnen staan — ... met de nieuwe buren gepraat — maar hoe langer het is, hoe natuurlijker het achter de werkwoorden staat.
  • Een werkwoord met een vast voorzetsel werkt hetzelfde: We hebben genoten van de vakantie. Zie werkwoord + vast voorzetsel.
  • Een bijwoordelijke bepaling van tijd, wijze of plaats, als die zwaar is: Ze hebben een concert gegeven op het grote plein. Meer over hun normale volgorde in Tijd–Wijze–Plaats.
  • Het omzetsel naar ... toe, dat een bestemming omsluit, staat op dezelfde manier aan de rand: Ze fietst naar het station toe. Zie naar ... toe en ... heen.

Wat binnen moet blijven, vóór de werkwoorden

De naaste partners van het werkwoord — het lijdend voorwerp, een scheidbaar voorvoegsel en het richtingsachterzetsel zelf — kunnen niet voorbij de werkwoordelijke eindgroep geduwd worden.

  • Het lijdend voorwerp blijft vóór de werkwoorden: Ik heb een boek gelezen., nooit Ik heb gelezen een boek.
  • Een scheidbaar voorvoegsel voegt zich helemaal achteraan weer bij zijn werkwoord: Ik heb mijn moeder opgebeld. Het voorvoegsel op- klemt zich vast aan gebeld, het zweeft niet weg naar rechts.
  • Het richtingsachterzetsel staat vlak vóór de werkwoorden, nooit erachter: Hij is de trap af gelopen., niet Hij is gelopen de trap af.

Veelgemaakte fouten

Het Engels houdt het voorwerp vlak achter het werkwoord (“I have read a book”), dus grijpen Engelstaligen naar Ik heb gelezen een boek. Het Nederlands klemt het voorwerp binnen het zinsframe, vóór het laatste werkwoord: Ik heb een boek gelezen. Vuistregel: een voorzetselgroep mag naar rechts schuiven, maar een gewoon lijdend voorwerp niet — dat hoort vóór de eindgroep.

  • Welke woordgroep laat beweging in een richting zien, geen vaste plaats?
    • op de trap
    • de trap op
    • op het dak
    • in de kamer

    Een voorzetsel **achter** het zelfstandig naamwoord is een achterzetsel en geeft richting aan: *de trap op*. *Op de trap* is een plaats.

  • Vul in: *De hond rende ___.* (beweging naar binnen)
    • in het bos
    • het bos in
    • naar het bos in
    • het in bos

    Richting vraagt het achterzetsel **achter** het zelfstandig naamwoord: *het bos in*. *In het bos* zou een plaats aanduiden, geen richting.

  • Welke zin heeft de juiste woordvolgorde?
    • Ik heb gelezen een boek.
    • Ik heb een boek gelezen.
    • Ik een boek heb gelezen.
    • Een boek ik heb gelezen.

    Het lijdend voorwerp *een boek* blijft binnen het frame, vóór het voltooid deelwoord *gelezen*. Het kan niet achter de werkwoordelijke eindgroep komen.

  • Welk element mag achter de laatste werkwoorden komen?
    • het lijdend voorwerp
    • een scheidbaar voorvoegsel
    • een voorzetselgroep
    • het achterzetsel

    Een voorzetselgroep (en zware bepalingen van tijd/wijze/plaats) mag naar rechts van de werkwoorden: *Ik heb lang gewacht op de bus.* Het voorwerp, het voorvoegsel en het achterzetsel blijven binnen.

  • Vind de fout: *Hij is gelopen de trap af.*
    • *de trap af* moet *van de trap* zijn
    • het moet *Hij is de trap af gelopen* zijn
    • het moet *Hij heeft de trap af gelopen* zijn
    • er is niets fout

    De richtingswoordgroep *de trap af* staat vóór het laatste werkwoord, niet erachter: *Hij is de trap af gelopen.* Beweging naar een doel krijgt *zijn*, dus *is* is juist.

Test jezelf

Question 1 of 5

Welke woordgroep laat beweging in een richting zien, geen vaste plaats?

See also

  • Kernvoorzetsels: in, op, aan, naar, van, met
  • De werkwoordelijke eindgroep: werkwoorden stapelen aan het eind van een Nederlandse zin
  • naar ... toe en ... heen: richting aangeven in het Nederlands