Waar het scheidbare voorvoegsel landt (Ik bel je op)
In een Nederlandse hoofdzin springt het losgekomen voorvoegsel van een scheidbaar werkwoord helemaal naar het eind, na het middenstuk.
Een scheidbaar werkwoord is een werkwoord met een voorvoegsel dat kan afbreken, zoals opbellen of meenemen. In een hoofdzin wordt de stam vervoegd en houdt de tweede plaats, en het voorvoegsel splitst af en reist helemaal naar het eind: Ik bel je op. Deze pagina gaat over waar dat losse voorvoegsel landt.
Waar komt het voorvoegsel?
In een hoofdzin gaat het losgekomen voorvoegsel helemaal naar het eind van de zin, na alles in het midden — voorwerpen, tijdswoorden, plaatswoorden — terwijl de vervoegde stam op de tweede plaats blijft: Ik bel je morgen op.
- Eén werkwoord, hoofdzin: vervoeg de stam op de tweede plaats, laat het voorvoegsel aan het eind vallen. Ik sta om zeven uur op. (opstaan)
- Al het andere staat tussen het werkwoord en het voorvoegsel. Hoe meer je in het midden zet, hoe verder ze uit elkaar staan: Ik ruim vanavond mijn kamer op. (opruimen)
- Als een ander werkwoord het scheidbare werkwoord naar het eind stuurt, verschijnt het daar als een heel infinitief: Ik wil je morgen opbellen. Hier is wil de persoonsvorm en blijft opbellen aaneen in de eindgroep.
- In een bijzin gaat de persoonsvorm zelf naar het eind, dus het voorvoegsel plakt weer vast: …omdat ik je morgen opbel.
- In de voltooide tijd is het werkwoord een voltooid deelwoord en blijft het heel, met ge- erin verstopt: Ik heb je gisteren opgebeld.
| Werkwoord | Hoofdzin | Waar het voorvoegsel staat |
|---|---|---|
| opbellen | Ik bel je straks op. | op — aan het eind |
| meenemen | Neem je paraplu mee. | mee — aan het eind |
| aankomen | De trein komt om tien uur aan. | aan — aan het eind |
| opstaan | Zij staat elke dag vroeg op. | op — aan het eind |
Hoe herken je een scheidbaar werkwoord
- De klemtoon valt op het voorvoegsel: OPbellen, MEEnemen. Die klemtoon is het teken dat het voorvoegsel kan afsplitsen.
- Het voorvoegsel is meestal een klein woord dat op zichzelf zou kunnen staan — op, aan, mee, uit, af, terug, door. Vergelijk een onscheidbaar voorvoegsel als be- of ver-, dat nooit splitst (betalen → Ik betaal, niet Ik taal be).
- De twee helften klemmen het midden van de zin tussen zich in. Deze gesplitste constructie is de ruggengraat van de Nederlandse woordvolgorde: de persoonsvorm vooraan, zijn partner aan het eind.
Veelgemaakte fouten
In een eenvoudige hoofdzin laat je het voorvoegsel vaak nog aan het werkwoord vastzitten: Ik opbel je. In een hoofdzin met één werkwoord moet het voorvoegsel afsplitsen en naar het eind: Ik bel je op. Het voorvoegsel blijft alleen vast als het werkwoord een infinitief is (na een ander werkwoord: Ik wil je opbellen) of een deelwoord (Ik heb je opgebeld), of als een bijzin het hele werkwoord naar het eind heeft gestuurd (…dat ik je opbel).
- Vul in: *Ik ___ je vanavond ___.* (opbellen)
- bel … op
- opbel … (niets)
- bel op … (niets)
- op … bel
In een hoofdzin met één werkwoord houdt de stam *bel* de tweede plaats en gaat het voorvoegsel *op* naar het eind → *Ik bel je vanavond op.*
- Welke zin is correct?
- Ik opruim mijn kamer.
- Ik ruim mijn kamer op.
- Ik ruim op mijn kamer.
- Ik mijn kamer opruim.
*Opruimen* splitst: *ruim* staat op de tweede plaats, en *op* landt aan het eind na het voorwerp → *Ik ruim mijn kamer op.*
- Vul in: *De trein ___ om drie uur ___.* (aankomen)
- komt … aan
- aankomt … (niets)
- komt aan … (niets)
- aan … komt
De stam *komt* staat op de tweede plaats en het voorvoegsel *aan* gaat naar het eind → *De trein komt om drie uur aan.*
- Waarom blijft het voorvoegsel vast in *Ik wil je morgen opbellen*?
- *opbellen* is een infinitief die door *wil* naar het eind is geduwd
- het voorvoegsel splitst nooit
- omdat er een tijdswoord in staat
- omdat het een vraag is
De persoonsvorm is hier *wil*; *opbellen* is een infinitief in de eindgroep, dus het blijft heel. Het voorvoegsel splitst alleen als het scheidbare werkwoord zelf het vervoegde werkwoord is.
- Zoek de fout: *Hij meeneemt zijn zus naar het feest.*
- *meeneemt* moet splitsen: *neemt … mee*
- *naar het feest* staat op de verkeerde plaats
- *zijn* moet *zijne* zijn
- er is niets mis
*Meenemen* is scheidbaar, dus in een hoofdzin splitst het: *neemt* op de tweede plaats, *mee* aan het eind → *Hij neemt zijn zus mee naar het feest.*
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: Ik ___ je vanavond ___. (opbellen)