Voltooid deelwoord van scheidbare werkwoorden (opgebeld, meegenomen)
Hoe de ge- van het voltooid deelwoord tussen het voorvoegsel en de stam van een scheidbaar werkwoord past: op + ge + beld = opgebeld.
Om een scheidbaar werkwoord in de voltooide tijd te gebruiken, heb je het voltooid deelwoord nodig — de vorm die bij hebben of zijn hoort: Ik heb je gisteren opgebeld. De truc zit in waar de ge- komt: niet vooraan, maar tussen het voorvoegsel en de stam in.
Hoe vorm je het
Een scheidbaar werkwoord is een basiswerkwoord met een voorvoegsel eraan vast: opbellen = op + bellen. De snelste route naar het deelwoord loopt via het basiswerkwoord alleen — bellen op zichzelf heeft het deelwoord gebeld. Geef dat deelwoord zijn voorvoegsel terug en de ge- belandt één lettergreep naar binnen, tussen het voorvoegsel en de stam: op + gebeld = opgebeld, als één woord geschreven.
- Zoek het basiswerkwoord dat erin verstopt zit: opbellen bevat bellen, en op is het voorvoegsel.
- Maak het deelwoord van dat basiswerkwoord op de gewone manier — ge- + stam + -d/-t bij een regelmatig werkwoord: bellen → gebeld.
- Zet het voorvoegsel ervoor: op + gebeld → opgebeld, één woord met de ge- tussen voorvoegsel en stam in.
| Infinitief | Deelwoord basiswerkwoord | Deelwoord scheidbaar werkwoord |
|---|---|---|
| opbellen | gebeld | opgebeld |
| meenemen | genomen | meegenomen |
| aankomen | gekomen | aangekomen |
| opstaan | gestaan | opgestaan |
| uitgeven | gegeven | uitgegeven |
Sterke basiswerkwoorden — die waarvan het deelwoord op -en eindigt in plaats van op -d/-t — gedragen zich niet anders. meenemen steunt op nemen, met deelwoord genomen, dus levert het voorvoegsel meegenomen op; aankomen steunt op komen → gekomen, wat aangekomen geeft. De plek van de ge- is dezelfde, of het basiswerkwoord nu zwak of sterk is.
Eenmaal gevormd reist het deelwoord als één geheel woord — in een hoofdzin, in een bijzin en na het hulpwerkwoord: We hebben de keuken opgeruimd, en … omdat we de keuken hebben opgeruimd.
Ook te komt in het midden
Als een scheidbaar werkwoord te nodig heeft (bijvoorbeeld na om … te of hoeven te), komt de te op dezelfde plek als de ge-: tussen het voorvoegsel en het basiswerkwoord.
- opbellen → op te bellen: Je hoeft me niet op te bellen.
- meenemen → mee te nemen: Vergeet niet je pas mee te nemen.
- aankomen → aan te komen: Het is belangrijk om op tijd aan te komen.
Wanneer gebruik je het
- In de voltooid tegenwoordige tijd, het alledaagse verleden in spreektaal: het deelwoord gaat naar het eind van de zin. Ze heeft haar tas meegenomen.
- Kies het juiste hulpwerkwoord: de meeste scheidbare werkwoorden krijgen hebben, maar werkwoorden die over beweging of aankomst gaan, krijgen zijn. Ik heb je opgebeld (hebben) maar De trein is aangekomen (zijn — aankomst).
Veelgemaakte fouten
De verleidelijke fout is om de ge- helemaal vooraan te plakken: geopbeld, gemeegenomen. Geen van beide bestaat — de ge- hoort één stap naar binnen, vlak na het voorvoegsel: opgebeld, meegenomen. De reden ligt in de klemtoon. Zeg opbellen hardop en de nadruk valt op het voorvoegsel (ÓP-bellen); die beklemtoonde beginlettergreep is waar de ge- zich vervolgens aan hecht. Een onscheidbaar werkwoord is het spiegelbeeld: het beginvoorvoegsel (ver-, be-, ont-) is onbeklemtoond, en een werkwoord dat met een onbeklemtoonde lettergreep begint, krijgt helemaal geen ge-. Dus verkopen wordt verkocht en betalen wordt betaald — nooit geverkocht of gebetaald.
- Wat is het voltooid deelwoord van *opbellen*?
- geopbeld
- opbelgd
- opgebeld
- opgebeld geworden
Het basiswerkwoord *bellen* heeft het deelwoord *gebeld*; zet het voorvoegsel *op* ervoor en je krijgt *opgebeld*, één woord met de *ge-* in het midden.
- Vul in: *We hebben onze kinderen ___.* (meenemen)
- meegenomen
- gemeenomen
- meenamen
- meegenemen
*Nemen* heeft het sterke deelwoord *genomen*; zet het voorvoegsel *mee* ervoor → *meegenomen*.
- Welk hulpwerkwoord past: *De bus ___ te laat aangekomen.*
- heeft
- is
- had
- wordt
*Aankomen* gaat over aankomst (beweging naar een bestemming), dus het krijgt *zijn* → *De bus is te laat aangekomen.*
- Waar komt *te* bij *opbellen* in *Je hoeft me niet ___?*
- te opbellen
- op te bellen
- opbellen te
- op bellen te
Bij een scheidbaar werkwoord komt *te* tussen het voorvoegsel en het basiswerkwoord, net als de *ge-* → *op te bellen.*
- Zoek de fout: *Ik heb de kamer gisteren geopruimd.*
- *gisteren* staat op de verkeerde plek
- *geopruimd* moet *opgeruimd* zijn
- *heb* moet *ben* zijn
- er is niets fout
De *ge-* komt na het voorvoegsel, niet vóór het hele werkwoord: *op* + *geruimd* → *opgeruimd*, niet *geopruimd*.
Test jezelf
Question 1 of 5
Wat is het voltooid deelwoord van opbellen?