hen, hun of ze? Zo kies je de juiste vorm
Gebruik hen voor een lijdend voorwerp of na een voorzetsel, hun voor een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en onbeklemtoond ze in al deze voorwerpsfuncties.
Ik zie ze. Hier is ze een onbeklemtoond persoonlijk voornaamwoord dat als voorwerp naar personen verwijst. De volle vormen zijn hen en hun. Bezittelijk hun staat voor een zelfstandig naamwoord, zoals in hun huis. Als onderwerp gebruikt het Standaardnederlands zij of ze.
Gebruik de traditionele regel voor de volle vormen hen en hun
De traditionele regel voor volle vormen gebruikt hen als lijdend voorwerp of na een voorzetsel en hun als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel. Onbeklemtoond ze kan beide vormen in deze voorwerpsfuncties vervangen.
In Ik zie hen is hen het lijdend voorwerp: het verwijst naar de personen die je ziet.
In Ik geef hun het boek is hun het meewerkend voorwerp: het verwijst naar de ontvangers van het boek.
Een voorzetsel legt een relatie tussen zinsdelen, zoals aan, voor, met of op. Na een voorzetsel is de traditionele volle vorm altijd hen.
| Situatie | Traditionele volle vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Lijdend voorwerp | hen | We bedankten hen. |
| Na een voorzetsel | hen | Ik wacht op hen. |
| Meewerkend voorwerp, zonder voorzetsel | hun | Ik geef hun het boek. |
Je kunt dezelfde ontvangers op twee manieren noemen. Zonder voorzetsel schrijf je Ik geef hun het boek. Met aan schrijf je Ik geef het boek aan hen.
Gebruik onbeklemtoond ze voor personen in elke voorwerpsfunctie
Ik geef ze het boek. De vorm ze is de korte, onbeklemtoonde vorm van zowel hen als hun. Wanneer ze naar personen verwijst, is de vorm standaard als lijdend voorwerp, als meewerkend voorwerp en na een voorzetsel. Je kunt daarom ook Ik zie ze. en Ik wacht op ze. zeggen.
Ik bedoel hén, niet jullie. Deze zin drukt een tegenstelling uit. Daarom krijgt het voornaamwoord nadruk en is een volle vorm nodig. De vorm ze kan deze nadruk niet dragen. In formele teksten komen de volle vormen hen en hun ook vaker voor wanneer het voornaamwoord onbeklemtoond is.
De volle vormen hen en hun verwijzen alleen naar personen. Onbeklemtoond ze kan als lijdend voorwerp ook naar dingen verwijzen: Ik lees de rapporten. Ik lees ze. Na een voorzetsel gebruik je voor dingen meestal er + voorzetsel: Ik wacht op de rapporten wordt Ik wacht erop. Een voorzetsel met ze komt voor dingen ook voor in informele taal, maar de vorm met er is gebruikelijker.
Gebruik bezittelijk hun voor een zelfstandig naamwoord
Dat is hun huis. Hier staat hun voor het zelfstandig naamwoord huis en drukt het bezit uit. Dit bezittelijke hun staat vóór het zelfstandig naamwoord; hen en ze drukken geen bezit uit.
Vergelijk de traditionele regel met het werkelijke gebruik
Grammatici uit de zeventiende eeuw maakten het onderscheid tussen de voorwerpsvormen hen en hun. Het is een kunstmatige schrijfregel, geen stabiel onderscheid uit de spontane spreektaal. Sprekers gebruiken de vormen al eeuwen door elkaar. Ook in verzorgde teksten lopen ze vaak door elkaar.
Gebruik de tabel als je de strikte traditionele norm wilt volgen. Veel sprekers en redacteuren gebruiken ook hen waar die regel hun als meewerkend voorwerp verwacht. De Algemene Nederlandse Spraakkunst accepteert dit gebruik van hen, terwijl veel uitgevers de schoolregel nog volgen. Zie voor een snelle keuze zonder de geschiedenis hen of hun?.
Gebruik zij of ze als onderwerp
Ze wonen in Amsterdam. Het Standaardnederlands gebruikt beklemtoond zij of onbeklemtoond ze als onderwerp. In Nederland kun je hun als onderwerp horen, zoals in Hun wonen in Amsterdam, maar de huidige taaladviezen noemen dit niet-standaard. Bezittelijk hun en hun als voorwerp zijn in de functies hierboven wel standaard.
- Vul in: *Ik heb ___ gisteren op straat gezien.* (Gebruik de traditionele volle vorm voor een lijdend voorwerp.)
- *hun*
- *hen*
- *haar*
- *zij*
De personen zijn het lijdend voorwerp van *zien*. De traditionele volle vorm is daarom *hen*: *Ik heb hen gisteren op straat gezien.* Onbeklemtoond *ze* is ook standaard, maar hier wordt om de volle vorm gevraagd.
- Welke zin volgt de traditionele regel voor een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel?
- *Ik geef hen een cadeau.*
- *Ik geef hun een cadeau.*
- *Ik geef zij een cadeau.*
- *Ik geef hen aan een cadeau.*
De personen ontvangen het cadeau en zijn dus het meewerkend voorwerp. Er staat geen voorzetsel voor het voornaamwoord, dus schrijf je volgens de traditionele regel *hun*: *Ik geef hun een cadeau.*
- Vul in: *Deze bloemen zijn voor ___.* (Gebruik de traditionele volle vorm.)
- *hun*
- *hen*
- *zij*
- *haar*
*Voor* is een voorzetsel. De traditionele volle vorm is daarom *hen*: *Deze bloemen zijn voor hen.* Onbeklemtoond *ze* kan ook in minder formele taal.
- Welk voornaamwoord is in alledaags Nederlands de gebruikelijke onbeklemtoonde vorm?
- *hen*
- *hun*
- *ze*
- *zij*
De vorm *ze* is de korte, onbeklemtoonde keuze voor een lijdend voorwerp, een meewerkend voorwerp en een voorwerp na een voorzetsel: *Ik zie ze*, *Ik geef ze het boek*, *Ik wacht op ze*. Gebruik een volle vorm wanneer het voornaamwoord nadruk krijgt.
- Vind de fout: *Hun wonen in Amsterdam.*
- *Hun* moet *Zij* zijn (een onderwerp heeft een onderwerpsvorm nodig)
- *wonen* moet *woont* zijn
- *in* moet *op* zijn
- er is niets fout
De onderwerpsvorm *hun* komt voor in gesproken Nederlands, vooral in Nederland, maar is geen Standaardnederlands. Gebruik beklemtoond *zij* of onbeklemtoond *ze*: *Zij wonen in Amsterdam.*
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: Ik heb ___ gisteren op straat gezien. (Gebruik de traditionele volle vorm voor een lijdend voorwerp.)