hen of hun? ‘Hen’, bezittelijk hun, en onderwerp zij/ze
Kies hen na een verbindingswoord of wanneer een handeling mensen direct raakt, traditioneel hun wanneer mensen iets ontvangen, bezittelijk hun voor ‘hun’, en zij/ze als onderwerp.
Ik zie hen. Ik geef hun het boek. Dit zijn volle vormen voor personen die geen onderwerp zijn. Dat is hun huis. Hier geeft hun bezit aan. Zij wonen in Amsterdam. Hier is zij het onderwerp. Lees voor de gebruiksgeschiedenis en randgevallen hen, hun of ze?.
Gebruik drie controles voor de traditionele volle vormen
Gebruik hen na een voorzetsel en als lijdend voorwerp. Gebruik hun als meewerkend voorwerp wanneer er geen voorzetsel voor staat. Een lijdend voorwerp is de persoon die je ziet, uitnodigt of bedankt. Een meewerkend voorwerp is de persoon die iets ontvangt. Een voorzetsel is een verbindingswoord zoals voor, met, aan of naar.
- Staat er direct voor het voornaamwoord een voorzetsel? Gebruik hen: Ik doe het voor hen.
- Werkt het werkwoord direct op de personen? Gebruik hen: We hebben hen uitgenodigd.
- Ontvangen de personen iets, zonder voorzetsel voor het voornaamwoord? De traditionele regel gebruikt hun: Ik geef hun het boek.
Vergelijk de twee vormen wanneer iemand iets ontvangt. Schrijf zonder voorzetsel Ik geef hun het boek. Schrijf met aan Ik geef het boek aan hen.
Deze controles geven de traditionele schoolregel. Het huidige gebruik ligt minder vast. Veel redacties accepteren ook hen als meewerkend voorwerp: Ik geef hen het boek. Een toets van de traditionele regel verwacht nog steeds hun.
Gebruik onbeklemtoond ze in elke voorwerpsrol
Ik zie ze. Onbeklemtoond ze kan bij personen hen en hun vervangen als lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp of na een voorzetsel: Ik geef ze het boek. Ik wacht op ze. Gebruik een volle vorm wanneer je twee groepen tegenover elkaar zet: Ik bedoel hen, niet jullie. In formele schrijftaal komen de volle vormen ook vaker voor.
Gebruik bezittelijk hun voor een zelfstandig naamwoord
Dat is hun huis. Hier betekent hun dat iets van hen is en staat het voor het zelfstandig naamwoord huis. Gebruik hun in deze bezittelijke rol; hen drukt geen bezit uit.
Gebruik zij of ze als onderwerp
Zij wonen in Amsterdam. In het Standaardnederlands is beklemtoond zij of onbeklemtoond ze het onderwerp. Je kunt in Nederland Hun wonen in Amsterdam horen, maar hun als onderwerp is geen Standaardnederlands.
- Gebruik de traditionele volle vorm: *Ik heb een cadeau voor ___.*
- *hun*
- *hen*
- *zij*
- *ze*
*Voor* is een voorzetsel. De traditionele volle vorm is daarom *hen*: *voor hen*. Onbeklemtoond *ze* is ook standaard, maar informeler; deze vraag vraagt om de volle vorm.
- Welke zin volgt de traditionele regel?
- *Ik geef hen het boek.*
- *Ik geef hun het boek.*
- *Ik geef zij het boek.*
- *Ik geef hun aan het boek.*
De personen ontvangen het boek en zijn dus het meewerkend voorwerp. Er staat geen voorzetsel voor het voornaamwoord. De traditionele regel gebruikt daarom *hun*: *Ik geef hun het boek.* In het huidige gebruik is *hen* als meewerkend voorwerp ook geaccepteerd, maar deze vraag toetst de traditionele regel.
- *Wij kennen ___ al jaren.* Welke volle vorm past bij het lijdend voorwerp?
- *hun*
- *hen*
- *zij*
- *hunne*
De personen zijn het lijdend voorwerp: zij zijn de personen die we kennen. De traditionele volle vorm is *hen*: *Wij kennen hen al jaren.*
- Zoek het niet-standaardtalige onderwerp in *Hun wonen in Amsterdam.*
- *Hun* moet *hen* zijn
- *Hun* moet *zij* zijn
- *wonen* moet *woont* zijn
- er is niets mis
Het Standaardnederlands gebruikt *zij* als het onderwerp beklemtoond is en *ze* als het onbeklemtoond is: *Zij wonen in Amsterdam.* *hun* als onderwerp komt in Nederland voor, maar is geen Standaardnederlands.
- Wat is in de zin *Dat is hun huis* het woord *hun*?
- een lijdend voorwerp
- een meewerkend voorwerp
- het bezittelijk voornaamwoord ‘hun’
- een onderwerp
Voor het zelfstandig naamwoord *huis* is *hun* het bezittelijk voornaamwoord: *hun huis*. Deze bezittelijke vorm verandert niet in *hen*.
Test jezelf
Question 1 of 5
Gebruik de traditionele volle vorm: Ik heb een cadeau voor ___.