Waar iets is: bij, naast, tussen, achter, onder en boven
Zo geef je een vaste plaats aan met bij, naast, tussen, achter, voor, onder, boven en tegenover.
Een voorzetsel van plaats geeft aan waar iets zich ten opzichte van iets anders bevindt: De apotheek is naast de supermarkt. Vraag dus niet alleen welk voorzetsel je in een andere taal zou gebruiken, maar kijk naar de ruimtelijke verhouding tussen de twee personen of dingen.
Hoe kies je een voorzetsel van plaats?
Kies de verhouding die je voor je ziet: dichtbij, ernaast, ertussen, erachter, ervoor, eronder, erboven of ertegenover. Zet het voorzetsel vóór de persoon, plaats of zaak die als oriëntatiepunt dient.
- Bepaal van welke persoon, plaats of zaak je de positie wilt beschrijven.
- Kies het oriëntatiepunt: de andere persoon, plaats of zaak.
- Zet het passende voorzetsel vóór dat oriëntatiepunt: De fiets staat achter het gebouw.
| Voorzetsel | Ruimtelijke verhouding | Voorbeeld |
|---|---|---|
| bij | op, met of dicht bij een plek of persoon | Mijn tas staat bij de balie. |
| naast | direct ernaast | De printer staat naast het raam. |
| tussen | met iets aan weerszijden | De halte ligt tussen de bank en de apotheek. |
| achter | aan de achterkant | De fietsenstalling is achter het kantoor. |
| voor | aan de voorkant | De taxi staat voor het hotel. |
| onder | lager dan of eronder | De reservesleutel ligt onder de map. |
| boven | hoger dan of erboven | Het bord hangt boven de radiator. |
| tegenover | aan de andere kant, er recht tegenover | Het gemeentehuis staat tegenover de bibliotheek. |
Gebruik bij voor een plaats en naar voor een bestemming
Bij een persoon of de werkplek van een beroepsbeoefenaar geeft bij aan waar iemand is: Ik ben bij mijn buurvrouw. en Sam is bij de tandarts. Als iemand naar die bestemming gaat, gebruik je naar: Ik ga naar mijn buurvrouw. en Sam gaat naar de tandarts.
Gebruik tussen ... en en tussen ... in
Noem twee oriëntatiepunten met tussen ... en: De ingang is tussen de lift en de trap. Je kunt na de hele woordgroep in toevoegen om de positie in het midden te benadrukken: De kinderwagen staat tussen de stoelen in. Dat laatste in is in een gewone woordgroep met tussen niet verplicht.
Wanneer gebruik je deze voorzetsels?
- Geef een route aan vanaf een herkenningspunt: De pinautomaat is naast de ingang.
- Beschrijf waar een voorwerp is: De kabel ligt onder het bureau.
- Zeg waar iemand wacht of op bezoek is: Mila wacht bij de huisarts.
Veelgemaakte fouten
- Gebruik voor iemands huidige verblijfplaats bij en niet het richtingsvoorzetsel naar: Ik ben bij de kapper.
- Houd ruimtelijk voor en tegenover uit elkaar. Voor het station is aan de voorkant van het station; tegenover het station is aan de overkant of recht ertegenover.
Zie ook
Begin met de kernbetekenissen van voorzetsels. Bekijk daarna achterzetsels en gesplitste plaatsbepalingen en naar ... toe en ... heen voor beweging langs een route.
- Vul in: *De apotheek is ___ de bakkerij.* De twee gebouwen staan direct naast elkaar.
- *naast*
- *achter*
- *onder*
- *naar*
*Naast* betekent dat iets direct aan de zijkant van iets anders is: *De apotheek is naast de bakkerij.*
- Je beschrijft waar Noor nu is: ze is bij de tandarts. Welke zin is correct?
- *Noor is naar de tandarts.*
- *Noor is bij de tandarts.*
- *Noor is tegenover de tandarts.*
- *Noor is tussen de tandarts.*
Voor een huidige verblijfplaats bij een beroepsbeoefenaar gebruik je *bij*: *Noor is bij de tandarts.*
- Noor is onderweg naar de tandarts. Welke zin is correct?
- *Noor gaat bij de tandarts.*
- *Noor gaat onder de tandarts.*
- *Noor gaat naar de tandarts.*
- *Noor gaat tegenover de tandarts.*
Bij beweging in de richting van een bestemming gebruik je *naar*: *Noor gaat naar de tandarts.*
- Welke zin zet de kruk precies in het midden van de twee stoelen?
- *De kruk staat boven de stoelen.*
- *De kruk staat bij de stoelen.*
- *De kruk staat tegenover de stoelen.*
- *De kruk staat tussen de stoelen in.*
Met *tussen ... in* kun je de positie in het midden nadrukkelijk aangeven: *De kruk staat tussen de stoelen in.*
- Het hotel ligt aan de andere kant van het plein, recht tegenover het station. Vul in: *Het hotel ligt ___ het station.*
- *onder*
- *tegenover*
- *achter*
- *tussen*
*Tegenover* geeft aan dat iets aan de andere kant of recht tegenover iets anders ligt: *Het hotel ligt tegenover het station.*
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: De apotheek is ___ de bakkerij. De twee gebouwen staan direct naast elkaar.
See also
- Kernvoorzetsels: in, op, aan, naar, van, met
- Na de werkwoordelijke eindgroep: achterzetsels en voorzetselgroepen
- naar ... toe en ... heen: richting aangeven in het Nederlands
- Er is / er zijn: zeggen dat iets bestaat of aanwezig is
- Landen en nationaliteiten in het Nederlands: landnamen, talen en inwoners