deze, die, dit en dat: aanwijzende voornaamwoorden
Kies deze, die, dit of dat bij een zelfstandig naamwoord aan de hand van het lidwoord de of het en de manier waarop je iets aanwijst.
Met een aanwijzend voornaamwoord wijs je iemand of iets aan: deze, die, dit of dat. Zo maak je duidelijk welke persoon of welk ding je bedoelt.
Hoe kies je tussen deze, die, dit en dat?
In deze fiets en dit huis kies je beide keren de vorm voor iets dichterbij of voor iets dat je extra benadrukt. De vormen verschillen omdat fiets bij de hoort en huis bij het.
- Koppel de vorm aan het zelfstandig naamwoord. Een de-woord in het enkelvoud krijgt deze of die; een het-woord in het enkelvoud krijgt dit of dat. Zie de of het?.
- Gebruik in het meervoud deze of die, want elk zelfstandig naamwoord in het meervoud krijgt de: het boek wordt deze boeken of die boeken.
- Kies vervolgens hoe je iets aanwijst. Deze en dit verwijzen vaak naar iets dichterbij of leggen er extra nadruk op. Die en dat verwijzen vaak naar iets verder weg en kunnen neutraler klinken. De fysieke afstand is een handig beginpunt, maar niet de enige factor.
| Zelfstandig naamwoord | Dichterbij of met meer nadruk | Verder weg of neutraler |
|---|---|---|
| Enkelvoud: de-woord — de fiets | deze fiets | die fiets |
| Enkelvoud: het-woord — het huis | dit huis | dat huis |
| Meervoud: de huizen | deze huizen | die huizen |
Het lidwoord bepaalt de vorm. De uitgangen helpen je die vorm te onthouden, maar zijn niet de grammaticale reden: de, deze en die eindigen op -e; het, dit en dat eindigen op -t.
Het aanwijzend voornaamwoord vervangt het lidwoord
Dit huis, niet dit het huis: het aanwijzend voornaamwoord staat direct vóór het zelfstandig naamwoord en vervangt de of het. Zo verandert de trein in deze trein.
Als je het zelfstandig naamwoord weglaat, of één of meer mensen voorstelt met Dit is … of Dat zijn …, gelden extra regels. Zie die en dat als vervangers: aanwijzen zonder het zelfstandig naamwoord.
- Vul in: *___ huis is te koop.* (*het huis*, dichtbij)
- *Deze*
- *Dit*
- *Die*
- *Dat*
*Huis* is een *het*-woord. Dit is de keuze voor iets dichterbij of met meer nadruk, dus gebruik *dit*: *Dit huis is te koop.*
- Welke vorm past bij *de fiets* op grotere afstand?
- *dit fiets*
- *deze fiets*
- *dat fiets*
- *die fiets*
*Fiets* is een *de*-woord en krijgt dus *deze* of *die*. Voor de grotere afstand gebruik je *die fiets*.
- Welke zin is correct als je een trein dichtbij aanwijst?
- *De deze trein vertrekt om negen.*
- *Dit trein vertrekt om negen.*
- *Deze trein vertrekt om negen.*
- *Deze de trein vertrekt om negen.*
*Trein* is een *de*-woord, dus de vorm voor iets dichterbij of met meer nadruk is *deze*. Het aanwijzend voornaamwoord vervangt *de*: *Deze trein vertrekt om negen.*
- Welke vorm is correct voor boeken dichtbij (*het boek* → *de boeken*)?
- *dit boeken*
- *deze boeken*
- *dat boeken*
- *die boeken*
Elk zelfstandig naamwoord in het meervoud krijgt *de* en gebruikt dus *deze* of *die*. Voor boeken dichtbij kies je *deze boeken*, ook al gebruikt het enkelvoud *het boek* het woord *dit*.
- Waarom is het *dit kind* en niet *deze kind*?
- omdat *kind* een *het*-woord is (*het kind*)
- omdat het kind ver weg is
- omdat *kind* meervoud is
- omdat *kind* een eigennaam is
*Kind* is een *het*-woord (*het kind*) en krijgt dus *dit* (dichtbij) of *dat* (ver weg), nooit *deze* of *die*.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: ___ huis is te koop. (het huis, dichtbij)