deze, die, dit, dat: de aanwijzende voornaamwoorden
Hoe je deze, die, dit of dat kiest — op basis van het de/het-geslacht van het zelfstandig naamwoord en of het dichtbij of ver weg is.
Een aanwijzend voornaamwoord is een woord dat aanwijst. Het Nederlands heeft er vier: deze en dit (voor iets dichtbij) en die en dat (voor iets verder weg). Welke je kiest, hangt af van het zelfstandig naamwoord: deze man maar dit huis.
Hoe kies je tussen deze, die, dit en dat?
Twee dingen bepalen het tegelijk: of het zelfstandig naamwoord een de-woord of een het-woord is, en of je iets dichtbij of iets verder weg bedoelt. de-woorden en alle meervouden krijgen deze (dichtbij) of die (ver weg); het-woorden krijgen dit (dichtbij) of dat (ver weg).
- Controleer het geslacht van het zelfstandig naamwoord — zie de of het?. Een de-woord krijgt deze of die; een het-woord krijgt dit of dat.
- Controleer de afstand: iets dichtbij krijgt deze of dit; iets verder weg krijgt die of dat.
- Onthoud dat elk meervoud een de-woord is, dus meervouden gebruiken altijd alleen deze of die, wat het enkelvoud ook was: het boek → deze boeken / die boeken.
| Zelfstandig naamwoord | Dichtbij | Ver weg |
|---|---|---|
| de-woord: de fiets | deze fiets | die fiets |
| het-woord: het huis | dit huis | dat huis |
| meervoud: de huizen | deze huizen | die huizen |
Een ezelsbruggetje: de, deze en die dragen allemaal de -e van de, terwijl het, dit en dat allemaal eindigen op -t zoals het.
Wanneer gebruik je het
- Direct vóór een zelfstandig naamwoord, in plaats van de of het: Deze trein gaat naar Amsterdam. Dat boek is van mij.
- Op zichzelf, zodra duidelijk is wat je aanwijst, met het zelfstandig naamwoord weggelaten: Welke wil je? Deze. Meer hierover in die en dat als vervangers.
- Om iemand of iets voor te stellen of te presenteren gebruikt het Nederlands dit (dichtbij) of dat (ver weg), wat het geslacht of getal ook is: Dit is mijn zus. Dat zijn mijn ouders. Het aanwijzende woord blijft enkelvoudig dit/dat, zelfs naast het meervoudige werkwoord zijn.
Veelgemaakte fouten
Bij het voorstellen van personen of dingen grijpen Engelstaligen naar een meervoudsvorm naar analogie van 'these/those' en zeggen Deze zijn mijn ouders. Het Nederlands houdt hier het enkelvoudige dit of dat aan: Dit zijn mijn ouders, Dat zijn leuke schoenen. Laat het meervoudige werkwoord zijn je niet naar deze/die trekken — in dit voorstellende patroon verandert het aanwijzende woord niet mee met het getal.
- Vul in: *___ huis is te koop.* (het huis)
- Deze
- Dit
- Die
- Dat
*Huis* is een *het*-woord, en het is dichtbij, dus gebruik je *dit* → *Dit huis is te koop.*
- Wat is correct voor 'that bike' (*de fiets*, verder weg)?
- dit fiets
- deze fiets
- dat fiets
- die fiets
*Fiets* is een *de*-woord, dus het krijgt *deze* (dichtbij) of *die* (ver weg). Voor iets verder weg heb je *die fiets* nodig.
- Vul in: *___ zijn mijn collega's.* (je stelt de mensen voor die vlak naast je staan)
- Deze
- Die
- Dit
- Dat
Om iemand voor te stellen houdt het Nederlands het aanwijzende woord enkelvoudig — *dit* of *dat* — zelfs vóór het meervoudige *zijn*, nooit *deze/die*. Omdat de mensen dichtbij zijn, kies je *dit* boven *dat* → *Dit zijn mijn collega's.* Verder weg zou het *Dat zijn mijn collega's.* zijn.
- Wat is correct voor 'these books' (*het boek* → *de boeken*)?
- dit boeken
- deze boeken
- dat boeken
- die boeken
Elk meervoud is een *de*-woord, dus het krijgt *deze* (dichtbij) of *die* (ver weg). Dichtbij → *deze boeken*, ook al gebruikt het enkelvoud *het boek* het woord *dit*.
- Waarom is het *dit kind* en niet *deze kind*?
- omdat *kind* een *het*-woord is (*het kind*)
- omdat het kind ver weg is
- omdat *kind* meervoud is
- omdat *kind* een naam is
*Kind* is een *het*-woord (*het kind*), dus het krijgt *dit* (dichtbij) of *dat* (ver weg), nooit *deze* of *die*.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: ___ huis is te koop. (het huis)