Inburgering.org Logo

Inburgering.org

  • Cursussen
  • Exameninfo
  • Podcasts
  • Gratis
Inburgering.org Logo

Inburgering.org

Prijzen

Exameninfo

Podcasts

Grammatica

Privacybeleid

Algemene voorwaarden

Veelgestelde vragen

Contact

Partners

Luisteren

A1

A2

B1

B2

Lezen

A1

A2

B1

B2

Spreken

A1

A2

B1

B2

Schrijven

A1

A2

B1

B2

Inburgering

A1

A2

B1

B2

KNM

KNS

Hulp nodig?
Neem contact met ons op via info@inburgering.org

Word lid van onze community:

Instagram

Oefenbot

Telegram-groep

Facebook-groep:

A1

A2

B1

B2

Telegram-kanalen:

A1

A2

B1

B2

© 2026 Inburgering.org. Alle rechten voorbehouden.

Inburgering.org/Grammar/Nederlandse modale werkwoorden: kunnen, moeten, mogen, willen, zullen

Nederlandse modale werkwoorden: kunnen, moeten, mogen, willen, zullen

De vijf Nederlandse modale werkwoorden, wat elk betekent, en hoe ze het hoofdwerkwoord als kale infinitief naar het eind duwen.

Een modaal werkwoord zegt hoe een handeling ervoor staat: of iets mogelijk, verplicht, toegestaan of gewenst is. Het Nederlands heeft er vijf: kunnen, moeten, mogen, willen en zullen. Ze gaan samen met een tweede werkwoord: Ik kan zwemmen.

Wat betekent elk werkwoord?

Modaal werkwoordBetekenisVoorbeeld
kunnenin staat zijnIk kan koken.
moetenverplicht zijnJe moet nu gaan.
mogentoestemming hebbenJe mag hier parkeren.
willeneen wens hebbenWij willen blijven.
zullentoekomst of belofteIk zal het doen.

Zullen bouwt vooral de toekomende tijd en beleefde aanbiedingen (Zal ik helpen?). Willen kan ook op zichzelf staan met een zelfstandig naamwoord: Ik wil een ijsje.

Hoe veranderen modale werkwoorden de woordvolgorde?

Het modale werkwoord is de persoonsvorm en neemt de tweede plaats in de zin in; het andere werkwoord gaat helemaal naar het eind in zijn gewone woordenboekvorm — de infinitief — zonder te ervoor. Deze vorm heet de kale infinitief.

  1. Zet het modale werkwoord op de tweede plaats, afgestemd op het onderwerp: Ik moet ...
  2. Stuur het hoofdwerkwoord als kale infinitief naar het eind van de zin: Ik moet mijn huiswerk maken.

Zo wordt de zin tussen de twee werkwoorden geklemd: al het andere zit in het midden. Zij wil volgend jaar in Amsterdam wonen. Vergelijk dit met werkwoorden die te nodig hebben vóór het tweede werkwoord — zie te + infinitief.

Hoe worden ze vervoegd?

Modale werkwoorden zijn onregelmatig in het enkelvoud van de tegenwoordige tijd: ze veranderen van klinker en krijgen geen -t in de hij/zij-vorm. Het meervoud is regelmatig (de volledige infinitief).

kunnenmoetenmogenwillenzullen
ikkanmoetmagwilzal
jijkan / kuntmoetmagwil / wiltzal / zult
hij / zijkanmoetmagwilzal
wij / jullie / zijkunnenmoetenmogenwillenzullen

Voor jij zijn zowel kan als kunt correct, en zowel wil als wilt. De vormen in de verleden tijd zijn ook onregelmatig: kon, moest, mocht, wilde en zou. Meer veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden staan bij elkaar in veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden.

Veelgemaakte fouten

De meest gemaakte fout is te toevoegen vóór het tweede werkwoord. Het Engels heeft want to, dus schrijven leerders ik wil te gaan. In het Nederlands krijgt een modaal werkwoord een kale infinitief: Ik wil gaan. Eén werkwoord, hoeven, lijkt modaal maar krijgt wél te — Je hoeft niet te komen; het hoort bij de werkwoorden met te + infinitief, niet hier.

  • Vul in: *Ik ___ vanavond niet komen.* (kunnen)
    • kan
    • kann
    • kunt
    • kunnen

    De *ik*-vorm van *kunnen* is **kan** (onregelmatig, klinkerverandering, geen uitgang) → *Ik kan vanavond niet komen.*

  • Welke zin is correct?
    • Wij willen te blijven.
    • Wij willen blijven.
    • Wij willen blijft.
    • Wij willen te blijft.

    Een modaal werkwoord krijgt een **kale infinitief** — geen *te* en geen uitgang → *Wij willen blijven.*

  • Waar gaat het hoofdwerkwoord? *Zij moet morgen naar de dokter ___.*
    • gaat, vlak na moet
    • gaan, aan het eind van de zin
    • te gaan, aan het eind
    • ging, aan het eind

    Het modale werkwoord *moet* staat tweede; het hoofdwerkwoord gaat als kale infinitief naar het eind → *Zij moet morgen naar de dokter **gaan**.*

  • Welke vorm is fout?
    • hij mag
    • hij moet
    • hij magt
    • hij wil

    Modale werkwoorden krijgen geen *-t* in de *hij*-vorm, dus *magt* is fout — het is gewoon *hij mag*.

  • Wat betekent *mogen*?
    • in staat zijn
    • verplicht zijn
    • toestemming hebben
    • een wens hebben

    *Mogen* betekent **toestemming hebben**: *Je mag hier roken*. *Kunnen* is 'in staat zijn', *moeten* 'verplicht zijn', *willen* 'een wens hebben'.

Test jezelf

Question 1 of 5

Vul in: Ik ___ vanavond niet komen. (kunnen)

See also

  • De kale infinitief: Nederlandse werkwoorden zonder te
  • Veelvoorkomende onregelmatige Nederlandse werkwoorden: gaan, staan, zien, doen, komen