toen, als of wanneer: hoe zeg je 'when'?
Het Nederlands heeft drie woorden voor 'when': toen voor één gebeurtenis in het verleden, als voor het heden, de toekomst of een herhaald verleden, en wanneer voor vragen.
Het Engels gebruikt één woord, when, maar het Nederlands splitst het in drieën: toen, als en wanneer. Welk woord je kiest, hangt af van de tijd waarover je praat en van de vraag of iets één keer gebeurde of steeds opnieuw: Toen ik klein was, woonde ik in Rotterdam. Als het regent, blijf ik thuis.
Welk woord: toen, als of wanneer?
Gebruik toen voor één gebeurtenis in het verleden, als voor het heden of de toekomst en voor een herhaalde gebeurtenis in het verleden, en wanneer voor directe en indirecte vragen (en, formeler, als synoniem van als).
| Woord | Gebruik | Voorbeeld |
|---|---|---|
| toen | één gebeurtenis in het verleden | Toen de trein aankwam, stapte iedereen in. |
| als | heden of toekomst | Als je klaar bent, kunnen we beginnen. |
| als | een herhaalde gebeurtenis in het verleden | Als we op vakantie gingen, nam mijn vader altijd de camera mee. |
| wanneer | een vraag (wanneer?) | Wanneer begint de les? |
Wanneer gebruik je welk woord
- toen — één ding dat op één moment in het verleden gebeurde. Het gaat altijd samen met een verleden tijd, nooit met de tegenwoordige tijd: Toen ik wakker werd, scheen de zon. Toen ze de deur opendeed, stond er niemand.
- als voor nu of later — een situatie in het heden of de toekomst, vaak dicht bij het Engelse if: Als het morgen mooi weer is, gaan we fietsen.
- als voor het herhaalde verleden — iets wat keer op keer gebeurde. Je kunt telkens toevoegen om dit duidelijk te maken: (Telkens) als hij ziek werd, ging hij naar huis.
- wanneer om wanneer? te vragen — in een directe vraag (Wanneer kom je terug?) en in een indirecte (Ik weet niet wanneer de winkel opengaat.)
- wanneer als formeel als — in geschreven taal kan het als vervangen voor het heden, de toekomst of het herhaalde verleden: Wanneer u klaar bent, kunt u vertrekken.
Woordvolgorde: het werkwoord gaat naar het eind
Toen en als zijn onderschikkende voegwoorden, dus het werkwoord in hun bijzin gaat naar het eind: Toen ik thuiskwam..., Als het regent... Komt die bijzin eerst in de zin, dan begint de hoofdzin die volgt met zijn werkwoord: Toen ik thuiskwam, was het al donker. Dit is hetzelfde werkwoord-naar-het-eind-patroon dat je krijgt na omdat of dat. Wanneer stuurt het werkwoord alleen naar het eind in een indirecte vraag of in het gebruik als formeel als: Ik weet niet wanneer de bus vertrekt. In een directe vraag houdt wanneer het werkwoord juist op de tweede plaats, er direct achter: Wanneer begint de les?
Veelgemaakte fouten
De meest gemaakte fout is als gebruiken voor één gebeurtenis in het verleden. Het Engelse when dekt alles, dus schrijven leerlingen Als ik klein was... voor een eenmalige herinnering. Voor één afgesloten moment in het verleden heeft het Nederlands toen nodig: Toen ik klein was... Houd als + verleden tijd voor dingen die herhaaldelijk gebeurden.
Een tweede valkuil: toen neemt nooit de tegenwoordige tijd. Toen ik in Amsterdam woon is fout; het moet Toen ik in Amsterdam woonde zijn. Let ook op dat toen een tweede functie heeft als bijwoord dat 'daarna' betekent: Eerst aten we, en toen gingen we naar huis.
- Vul in: *___ ik gisteren thuiskwam, was de kachel uit.* (één gebeurtenis in het verleden)
- Toen
- Als
- Wanneer
- Dan
Dit is één gebeurtenis in het verleden (gisteren), dus gebruik je *toen*: *Toen ik thuiskwam...* *Als* zou alleen passen bij een herhaalde gebeurtenis in het verleden.
- Vul in: *___ het regent, neem ik de bus.* (een algemene situatie in het heden)
- Toen
- Als
- Wanneer alleen in vragen
- Toenmaals
Een situatie in de tegenwoordige tijd krijgt *als* (hier dicht bij het Engelse *if/when*): *Als het regent...* *Toen* is alleen voor het verleden.
- Welk woord gebruik je om te vragen naar een tijdstip?
- toen
- als
- wanneer
- dan
*Wanneer* is het vraagwoord: *Wanneer kom je?* *Toen* en *als* gebruik je niet om een directe vraag te stellen.
- Vul in: *Vroeger, ___ we bij oma logeerden, kregen we altijd pannenkoeken.* (een herhaalde gewoonte in het verleden)
- toen
- als
- wanneer je iets vraagt
- dan
*Altijd* laat zien dat dit keer op keer gebeurde, dus een herhaalde gebeurtenis in het verleden krijgt *als*, niet *toen*. Je zou *telkens* kunnen toevoegen: *telkens als we bij oma logeerden.*
- Zoek de fout: *Toen ik in Utrecht studeer, woonde ik op een kamer.*
- *toen* moet *als* zijn
- *studeer* moet *studeerde* zijn — toen vereist de verleden tijd
- *woonde* moet *woon* zijn
- er is niets fout
*Toen* gaat altijd samen met de verleden tijd, nooit met de tegenwoordige tijd. Het moet *Toen ik in Utrecht studeerde...* zijn.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: ___ ik gisteren thuiskwam, was de kachel uit. (één gebeurtenis in het verleden)