Hoe druk je ‘all’ en ‘every’ uit in het Nederlands?
Leer wanneer het Nederlands alle, al en allemaal gebruikt voor ‘all’. Kies daarna elk of ieder voor ‘each/every’ en alles of iedereen voor ‘everything/everyone’.
Alle kinderen zijn binnen. De kinderen zijn allemaal binnen. Ieder kind is binnen. De eerste twee zinnen stellen de kinderen voor als één volledige groep. De derde zin bekijkt ieder kind afzonderlijk. Het Nederlands maakt dat verschil zichtbaar in de woordkeuze en in de woordvolgorde.
Een telbaar zelfstandig naamwoord noemt afzonderlijke eenheden, zoals kind en kinderen. Een niet-telbaar zelfstandig naamwoord noemt een stof, hoeveelheid of abstract begrip, zoals wijn. Een bepaalde naamwoordgroep verwijst naar een specifieke, bekende groep. De bepaler staat aan het begin: de bepaalde lidwoorden de en het, een aanwijzend voornaamwoord zoals die, of een bezittelijk voornaamwoord zoals mijn.
| Betekenis en plaats | Nederlands patroon | Voorbeeld |
|---|---|---|
| all + een telbaar meervoud of een niet-telbaar enkelvoud | alle + zelfstandig naamwoord | alle kinderen, alle wijn |
| all + een bepaalde bepaler | al + lidwoord, aanwijzend of bezittelijk voornaamwoord | al het werk, al mijn boeken |
| all verwijst naar een eerder zelfstandig naamwoord of voornaamwoord | allemaal later in de zin | Ze zijn allemaal klaar. |
| each of every + een telbaar enkelvoud | een vorm van elk of ieder + zelfstandig naamwoord | elke dag, ieder jaar |
| everything of everyone, zonder volgend zelfstandig naamwoord | alles of iedereen | Alles is klaar. |
Wanneer staan alle en al voor een zelfstandig naamwoord?
Gebruik alle direct voor een telbaar zelfstandig naamwoord in het meervoud: alle treinen, alle gasten. Het kan ook voor een niet-telbaar zelfstandig naamwoord in het enkelvoud staan: alle wijn, alle moeite.
Gebruik voor dezelfde meervoudige of niet-telbare betekenissen het hoeveelheidswoord al vóór een bepaler die de naamwoordgroep bepaald maakt. Die bepaler kan het lidwoord de of het zijn, een aanwijzend voornaamwoord zoals die of deze, of een bezittelijk voornaamwoord zoals mijn of onze.
- lidwoord: al de gasten, al het geld
- aanwijzend voornaamwoord: al die vragen, al deze mensen
- bezittelijk voornaamwoord: al mijn boeken, al onze tijd
Combineer alle niet met een volgend lidwoord: niet alle de gasten, maar alle gasten of al de gasten. Groepen met een getal hebben een apart veelgebruikt patroon: alle drie de kandidaten.
Het woord al heeft ook een andere betekenis: Ik heb al gegeten. In die zin betekent het ‘reeds’ en niet ‘alle’.
Waar staat allemaal?
Allemaal is de gewone alledaagse vorm wanneer ‘all’ verwijst naar een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord elders in de zin. Het volgt normaal op dat woord, maar hoeft er niet direct achter te staan. Het kan verwijzen naar personen, zaken of een niet-telbare hoeveelheid.
- onderwerp: De kinderen zijn allemaal thuis.
- lijdend voorwerp: Ik heb de formulieren allemaal ingevuld.
- niet-telbare hoeveelheid: Hij heeft het geld allemaal uitgegeven.
- vraag: Wie komt er allemaal? en Wat heb je allemaal gekocht? Met allemaal vraag je hier naar de volledige groep of verzameling.
Zet allemaal niet direct voor een bepaalde naamwoordgroep om ‘all the’ uit te drukken: niet allemaal de kinderen. Gebruik alle kinderen of al de kinderen.
Hoe veranderen elk en ieder?
Elk en ieder zijn synoniemen met de betekenis ‘each’ of ‘every’. Je kunt normaal beide kiezen. Sommige taalgebruikers gebruiken eerder ieder voor personen en elk voor zaken of kleine groepen, maar dat is een voorkeur en geen regel. In vaste uitdrukkingen ligt soms één vorm meer voor de hand, zoals voor elk wat wils en ieder voor zich.
| Voor een enkelvoudig... | Vormen | Voorbeelden |
|---|---|---|
| de-woord | elke, iedere | elke dag, iedere klant |
| het-woord | elk, ieder | elk kind, ieder jaar |
Het gewone patroon is elke/iedere voor een enkelvoudig de-woord en elk/ieder voor een enkelvoudig het-woord. Bij Mens is variatie toegestaan. Ieder mens komt bijzonder vaak voor, maar iedere mens is ook mogelijk. Bekijk het overzicht van de en het voor de woordklassen.
Een naamwoordgroep met elk of ieder is enkelvoudig: Iedere klant krijgt korting. Dat geldt ook voor elk van of ieder van: Elk van de kamers heeft een raam.
Na een meervoudige groep kunnen de onverbogen vormen ‘elk afzonderlijk’ betekenen: De leerlingen kregen ieder een boek.
Wat is het verschil tussen alles, iedereen en iemand?
| Vorm | Betekenis en verwijzing | Grammatica en voorbeeld |
|---|---|---|
| alles | everything; een volledige verzameling zaken | enkelvoud: Alles is veranderd. |
| iedereen | everyone of everybody; alle personen | enkelvoud: Iedereen heeft een ticket. |
| iemand | someone, of anyone in een vraag of andere niet-specifieke context | enkelvoud: Heeft iemand gebeld? |
Wanneer betekent allen ‘alle personen’?
In formeel Nederlands kan allen worden gebruikt wanneer ‘all’ zonder volgend zelfstandig naamwoord staat en alleen naar personen verwijst. Het krijgt een meervoudige persoonsvorm: Allen waren tevreden. Het kan ook terugwijzen naar een al genoemde groep: De kandidaten zijn allen geslaagd.
In alledaags Nederlands kies je meestal iedereen met een enkelvoudige persoonsvorm of een meervoudig zelfstandig naamwoord of voornaamwoord met allemaal: Iedereen was tevreden. Ze waren allemaal tevreden.
Een verwant spellingsverschil bestaat tussen beide en beiden. Voor deze woorden gelden eigen voorwaarden. Gebruik daarom de -n-regel voor personen voor dat patroon. In alledaags Nederlands wordt vaak allebei gebruikt.
Zie ook
- Herhaal de woordklassen in het overzicht van de en het.
- Vergelijk some, several, few en many.
- Bekijk de uitgebreidere uitleg over de -n-regel voor personen.
- Vul in: *___ kinderen kregen een diploma.*
- *Al*
- *Alle*
- *Allen*
- *Allemaal*
*Alle* staat direct voor het telbare meervoud *kinderen*: *Alle kinderen kregen een diploma.*
- Vul in: *Hij heeft ___ die jaren hard gewerkt.*
- *alle*
- *al*
- *allen*
- *allemaal*
Het aanwijzend voornaamwoord *die* maakt de naamwoordgroep bepaald. Daarom staat het hoeveelheidswoord *al* ervoor: *al die jaren*.
- Vul in: *___ jaar gaan we naar zee.*
- *Elke*
- *Elk*
- *Allemaal*
- *Alle*
*Jaar* is een enkelvoudig *het*-woord: *het jaar*. Daarom gebruik je de onverbogen vorm *elk*: *elk jaar*.
- Vul in: *De leerlingen zijn ___ geslaagd.*
- *alle*
- *allemaal*
- *al*
- *alles*
Het zelfstandig naamwoord *De leerlingen* staat al eerder in de zin. De gewone vorm die er later naar verwijst is *allemaal*: *De leerlingen zijn allemaal geslaagd.*
- Welke zin betekent dat iedereen klaar is?
- *Iemand is klaar.*
- *Iedereen is klaar.*
- *Allen is klaar.*
- *Alles zijn klaar.*
*Iedereen* verwijst naar alle personen en krijgt een enkelvoudige persoonsvorm: *Iedereen is klaar.*
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: ___ kinderen kregen een diploma.