kennen of kunnen? En wanneer gebruik je weten?
Kies kennen bij een persoon of zaak, kunnen bij een infinitief en weten bij een feit, bijzin of vraagwoord.
kennen, kunnen en weten lijken soms dicht bij elkaar te liggen, maar ze hebben een andere functie: Ik ken onze nieuwe buurvrouw. Ik kan de afspraak verzetten. Ik weet waarom de balie dicht is. De woorden na het werkwoord geven meestal de beste aanwijzing.
Hoe kies je kennen, kunnen of weten?
Gebruik kennen als je vertrouwd bent met een persoon, plaats, zaak of geleerde stof. Gebruik kunnen voor een vaardigheid of mogelijkheid. Gebruik weten voor een feit, een antwoord of de inhoud van een bijzin.
- Kijk of er een persoon, plaats, zaak of geleerde stof volgt. Kies dan kennen: Wij kennen die route.
- Kijk of er nog een werkwoord in de infinitief volgt of dat iets mogelijk is. Kies dan kunnen: Noor kan de kraan repareren. Dat kan morgen.
- Kijk of er een feit, een antwoord of een bijzin met dat, of of een vraagwoord volgt. Kies dan weten: Hij weet het antwoord. We weten waar de sleutel ligt.
| Keuze | Wat volgt er meestal? | Kernbetekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| kennen | een lijdend voorwerp: persoon, plaats, zaak of geleerde stof | ergens vertrouwd mee zijn; iets hebben geleerd | Sam kent deze wijk goed. |
| kunnen | een infinitief zonder te, of geen infinitief als de mogelijkheid duidelijk is | in staat zijn; mogelijk zijn | Ik kan de doos tillen. Dat kan niet. |
| weten | een feit of antwoord; een bijzin met dat, of of een vraagwoord | weten dat iets waar is of over de gevraagde informatie beschikken | Weet je of de lift werkt? |
De vuistregel ‘bij een zelfstandig naamwoord gebruik je kennen’ werkt niet altijd. Een antwoord is informatie, dus zeg je Ik weet het antwoord, niet ik ken het antwoord. Kijk niet alleen naar de woordsoort die volgt, maar ook naar de betekenis.
Wat gebeurt er bij de naam van een taal?
Een losse taalnaam is geleerde stof en krijgt daarom kennen: Mina kent een beetje Turks. Als je de vaardigheid noemt, gebruik je kunnen met een infinitief: Mina kan Turks lezen. De verkorte vorm Mina kan Turks komt voor in gesproken taal, maar is niet het standaardpatroon voor verzorgde schrijftaal.
In het westen van Nederland, waaronder de Randstad, hoor je in alledaagse gesprekken ook dat vormen van kennen en kunnen door elkaar worden gebruikt. Herken die variatie, maar houd in een examen of formele tekst het standaardonderscheid aan op basis van wat erop volgt.
Wanneer gebruik je elk werkwoord?
- Gebruik kennen bij personen en vertrouwde zaken: Ken je mijn collega? Ik ken dat gebouw.
- Gebruik kennen bij geleerde stof: De cursisten kennen de nieuwe woorden.
- Gebruik kunnen vóór een handeling: Kun jij deze brief vertalen?
- Gebruik kunnen voor een mogelijkheid, ook zonder tweede werkwoord: Een afspraak om elf uur kan ook.
- Gebruik weten voor informatie: Zij weet dat de winkel gesloten is. Weet je wanneer de bus komt?
Veelgemaakte fouten
Zet kennen niet vóór een infinitief. Zeg Ik kan zwemmen, niet ik ken zwemmen. Gebruik weten niet voor vertrouwdheid met een persoon. Zeg Ik ken de huisarts. Bij een taal noem je de geleerde stof met kennen of de vaardigheid met kunnen + infinitief.
Lees ook
Herhaal de modale werkwoorden, de infinitief zonder te en veelgebruikte onregelmatige werkwoorden. De pagina over de woordvolgorde in indirecte vragen legt de bijzinnen uit die vaak na weten staan.
- Vul in: *Ik ___ onze nieuwe buurman.*
- weet
- ken
- kan
- kent
Een persoon is het lijdend voorwerp van *kennen*: *Ik ken onze nieuwe buurman.*
- Vul in: *Sara ___ de printer repareren.*
- kent
- kan
- weet
- kennen
De infinitief *repareren* noemt een vaardigheid, dus gebruik je *kunnen*: *Sara kan de printer repareren.*
- Welke standaardzin zegt dat Yara wat Turks heeft geleerd?
- *Yara kan een beetje Turks.*
- *Yara weet een beetje Turks.*
- *Yara kent een beetje Turks.*
- *Yara kunnen een beetje Turks.*
Een losse taalnaam is geleerde stof en krijgt *kennen*: *Yara kent een beetje Turks.* Je kunt ook de vaardigheid noemen: *Yara kan een beetje Turks spreken.*
- Vul in: *Ik ___ dat de balie om vier uur sluit.*
- ken
- weet
- kan
- kennen
Een bijzin met *dat* bevat bekende informatie en volgt daarom op *weten*: *Ik weet dat de balie om vier uur sluit.*
- Vul in: *___ jij waar de ingang is?*
- Kent
- Kan
- Weet
- Weten
De bijzin met het vraagwoord *waar* vraagt naar informatie, dus gebruik je *weten*: *Weet jij waar de ingang is?*
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: Ik ___ onze nieuwe buurman.
See also
- Nederlandse modale werkwoorden: kunnen, moeten, mogen, willen, zullen
- De Nederlandse kale infinitief: het tweede werkwoord zonder markering
- Veelvoorkomende onregelmatige Nederlandse werkwoorden: gaan, staan, zien, doen, komen
- Woordvolgorde in betrekkelijke bijzinnen en indirecte vragen
- niet of geen? Een Nederlandse zin ontkennen