Inburgering.org Logo

Inburgering.org

  • Cursussen
  • Exameninfo
  • Podcasts
  • Gratis
Inburgering.org Logo

Inburgering.org

Prijzen

Exameninfo

Podcasts

Grammatica

Privacybeleid

Algemene voorwaarden

Veelgestelde vragen

Contact

Partners

Luisteren

A1

A2

B1

B2

Lezen

A1

A2

B1

B2

Spreken

A1

A2

B1

B2

Schrijven

A1

A2

B1

B2

Inburgering

A1

A2

B1

B2

KNM

KNS

Hulp nodig?
Neem contact met ons op via info@inburgering.org

Word lid van onze community:

Instagram

Oefenbot

Telegram-groep

Facebook-groep:

A1

A2

B1

B2

Telegram-kanalen:

A1

A2

B1

B2

© 2026 Inburgering.org. Alle rechten voorbehouden.

Inburgering.org/Grammar/Woordvolgorde in betrekkelijke bijzinnen en indirecte vragen

Woordvolgorde in betrekkelijke bijzinnen en indirecte vragen

Betrekkelijke bijzinnen (die/dat) en indirecte vragen (Ik weet niet waar hij woont) sturen de persoonsvorm ook naar het einde.

Nog twee soorten bijzinnen volgen dezelfde woordvolgorde als een gewone bijzin: de betrekkelijke bijzin, die informatie over een zelfstandig naamwoord toevoegt (de man die naast ons woont), en de indirecte vraag, die een vraag weergeeft in plaats van hem te stellen (Ik weet niet waar hij woont). In beide reist de persoonsvorm naar het einde.

Betrekkelijke bijzinnen: die en dat

Een betrekkelijke bijzin begint met een betrekkelijk voornaamwoord (die, dat, wie of wat) dat in de plaats komt van het zelfstandig naamwoord dat het beschrijft, en — omdat het een bijzin is — gaat de persoonsvorm naar het einde. Welk voornaamwoord je kiest, hangt af van het zelfstandig naamwoord:

  • Gebruik die voor een de-woord en voor elk meervoud: de man die hier werkt, de kinderen die buiten spelen.
  • Gebruik dat voor een het-woord: het huis dat te koop staat.

Welk voornaamwoord je ook kiest, het opent de bijzin in de plaats van het zelfstandig naamwoord en al het andere volgt erachter, met het werkwoord achteraan: het boek dat ik gisteren gekocht heb.

De keuze tussen die en dat is dezelfde de/het-verdeling als bij het lidwoord, volledig behandeld bij betrekkelijke voornaamwoorden die en dat.

Zelfstandig naamwoordBetrekkelijke bijzin (werkwoord achteraan)
de vrouw (de-woord)de vrouw die naast me zit
het meisje (het-woord)het meisje dat viool speelt
de auto's (meervoud)de auto's die hier geparkeerd staan

Indirecte vragen

Een indirecte vraag is een vraag die in een grotere zin verstopt zit, meestal na uitdrukkingen als Ik weet niet ... of Kun je me vertellen .... Hij gedraagt zich ook als een bijzin, dus het werkwoord gaat naar het einde — ook al zou dezelfde vraag, direct gesteld, het werkwoord vooraan houden.

  • Een vraag met een vraagwoord (met wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom) houdt zijn vraagwoord maar stuurt het werkwoord naar het einde: direct Waar woont hij? wordt indirect Ik weet niet waar hij woont.
  • Een ja/nee-vraag wordt een of-zin: direct Komt ze? wordt indirect Ik vraag me af of ze komt.
  • Een scheidbaar werkwoord blijft aan het einde aan elkaar plakken: Weet jij hoe laat de winkel opengaat?

Zie vraagwoorden voor de volledige reeks wie/wat/waar-vormen.

Wanneer er meer dan één werkwoord opstapelt

Zoals in elke bijzin verzamelen meerdere werkwoorden zich samen aan het einde. De persoonsvorm staat naast het voltooid deelwoord of de infinitief: Ik weet niet wie dat gedaan heeft. Zij vroeg of ik haar kon helpen. De volgorde binnen die stapel is dezelfde als in de werkwoordelijke eindgroep.

Veelgemaakte fouten

De valkuil is dat je de volgorde van de directe vraag aanhoudt nadat je de vraag in een zin hebt gestopt. Een directe vraag draait het werkwoord en het onderwerp om (Waar woont hij?), maar een indirecte vraag mag dat niet: Ik weet niet waar hij woont, nooit Ik weet niet waar woont hij. Hetzelfde geldt voor betrekkelijke bijzinnen — de stad waar hij woont, niet de stad waar woont hij. Zodra een bijzin begint met die/dat/wie/wat/waar/of, zet je de persoonsvorm achteraan.

  • Vul in: *Dat is het huis ___ wij vroeger woonden.*
    • die
    • dat
    • waar
    • wat

    De bijzin verwijst naar een plaats (wonen *in* het huis), dus hij begint met *waar*: *het huis **waar** wij vroeger woonden*. Het werkwoord *woonden* staat achteraan.

  • Welk betrekkelijk voornaamwoord past: *de kinderen ___ buiten spelen*?
    • dat
    • die
    • wat
    • wie

    *Die* gebruik je voor meervouden (en voor *de*-woorden). *Dat* is alleen voor enkelvoudige *het*-woorden → *de kinderen **die** buiten spelen*.

  • Maak van de directe vraag *Waar is het station?* een indirecte vraag na *Kun je me vertellen ...?*
    • Kun je me vertellen waar is het station?
    • Kun je me vertellen waar het station is?
    • Kun je me vertellen is waar het station?
    • Kun je me vertellen het station waar is?

    In een indirecte vraag gaat het werkwoord naar het einde: *... waar het station **is***. De omgekeerde directe volgorde *waar is het station* is alleen voor een directe vraag.

  • Vul in: *Ik weet niet ___ ze vandaag komt.* (ja/nee-vraag erin)
    • dat
    • wat
    • of
    • die

    Een ja/nee-vraag wordt een *of*-zin: *Ik weet niet **of** ze vandaag komt.* Het werkwoord *komt* blijft achteraan.

  • Zoek de fout: *Weet jij hoe laat gaat de winkel open?*
    • *hoe laat* moet *wanneer* zijn
    • het werkwoord moet achteraan staan en bij elkaar blijven: *hoe laat de winkel opengaat*
    • *Weet jij* moet *Weet je niet* zijn
    • er is niets fout

    Dit is een indirecte vraag, dus het scheidbare werkwoord gaat in één stuk naar het einde: *hoe laat de winkel **opengaat***. Het splitsen (*gaat ... open*) is de volgorde van een directe vraag.

Test jezelf

Question 1 of 5

Vul in: Dat is het huis ___ wij vroeger woonden.

See also

  • Bijzinnen: het werkwoord gaat naar het einde
  • Betrekkelijke voornaamwoorden die en dat: de man die, het boek dat
  • Nederlandse vraagwoorden: wie, wat, waar, wanneer, hoe, waarom