Nederlandse wederkerende voornaamwoorden (me, je, zich, zichzelf)
Hoe de wederkerende voornaamwoorden me, je, zich en ons werken met Nederlandse wederkerende werkwoorden, en waar ze in de zin staan.
Een wederkerend voornaamwoord kaatst de handeling terug op het onderwerp: de doener en de ontvanger zijn dezelfde persoon. Ik was me β ik ben zowel degene die wast als degene die gewassen wordt. Veel Nederlandse werkwoorden eisen zo'n voornaamwoord, ook waar het Engels er geen gebruikt: Ik vergis me.
Hoe vorm je het
Kies het wederkerend voornaamwoord dat bij het onderwerp past β me, je, zich of ons β en zet het direct na het werkwoord. Alleen zich is een apart woord dat je nog niet kent van de voorwerpsvoornaamwoorden; de andere hergebruiken bekende vormen.
| Onderwerp | Wederkerend voornaamwoord | Voorbeeld (zich wassen) |
|---|---|---|
| ik | me | Ik was me. |
| jij | je | Jij wast je. |
| u | zich (of u) | U wast zich. |
| hij / zij / het | zich | Hij wast zich. |
| wij | ons | Wij wassen ons. |
| jullie | je | Jullie wassen je. |
| zij (meervoud) | zich | Zij wassen zich. |
Dus zich dekt hij, zij, het, het meervoud zij en het beleefde u. Voor ik, jij, wij en jullie is het wederkerend voornaamwoord hetzelfde woord als het gewone voorwerpsvoornaamwoord (me, je, ons, je).
Wanneer gebruik je het
- Bij echte wederkerende werkwoorden, die in het woordenboek met zich staan: zich vergissen, zich herinneren, zich haasten, zich vervelen. Ik herinner me je naam niet.
- Voor alledaagse handelingen die mensen bij zichzelf doen: zich wassen, zich aankleden, zich scheren. Hij scheert zich elke ochtend.
- Gebruik zichzelf (en mezelf, jezelf, onszelf) alleen voor echte nadruk of contrast β als het punt is dat het onderwerp, en niemand anders, het doelwit is: Ze heeft zichzelf geknipt.
Waar het voornaamwoord staat
Het wederkerend voornaamwoord staat direct na de persoonsvorm (het vervoegde werkwoord), vooraan in de zin β niet naast het werkwoord waar het bij hoort wanneer dat werkwoord naar het einde is verplaatst.
- Gewone zin: Ik verveel me op zondag.
- In de voltooide tijd blijft het voornaamwoord tegen het hulpwerkwoord aan, terwijl het hoofdwerkwoord achteraan wacht: Hij heeft zich vergist.
- In een vraag volgt het voornaamwoord op het werkwoord dat vooraan staat: Verveel je je? β hier is het eerste je het onderwerp, het tweede je is wederkerend.
Veelgemaakte fouten
Engelstaligen laten het wederkerend voornaamwoord weg, omdat de Engelse vertaling vaak geen voornaamwoord heeft: I am mistaken, I remember, I hurry bevatten geen myself. In het Nederlands is het voornaamwoord bij deze werkwoorden niet optioneel β zeg Ik vergis me, niet Ik vergis; Ik herinner me dat, niet Ik herinner dat; We haasten ons, niet We haasten. De omgekeerde valkuil is zichzelf te veel gebruiken: voor een gewoon zich wassen is het kale zich genoeg β Hij wast zich, niet Hij wast zichzelf, tenzij je echt bedoelt dat hij het deed en niet iemand anders.
- Vul in: *Wij ___ ons elke ochtend.* (zich wassen)
- wast
- wassen
- wasten
- washen
Het onderwerp *wij* krijgt het meervoudige werkwoord *wassen*, en het wederkerend voornaamwoord is *ons* β *Wij wassen ons.*
- Welk wederkerend voornaamwoord hoort bij *hij*?
- hem
- zich
- zichzelf
- zijn
Voor *hij*, *zij*, *het*, het meervoud *zij* en het beleefde *u* is het wederkerend voornaamwoord *zich* β *Hij vergist zich.* *Hem* is het voorwerpsvoornaamwoord, *zijn* het bezittelijke.
- Zoek de fout: *Ik herinner niet je adres.*
- *herinner* heeft het wederkerende *me* nodig: *Ik herinner me je adres niet*
- *je adres* moet *jouw adres* zijn
- *niet* moet *geen* zijn
- er is niets fout
*Zich herinneren* is een wederkerend werkwoord, dus het heeft hier *me* nodig: *Ik herinner me je adres niet.* Het Engelse *I don't remember* verbergt het wederkerende deel, maar het Nederlands houdt het.
- Vul in: *___ je je op het feest?* (jij, zich vervelen)
- Verveel
- Vervelen
- Verveelt
- Verveelde
In een ja/nee-vraag komt het werkwoord vooraan en valt de *-t* weg na *jij/je*, dus de tegenwoordige tijd *Verveel* β *Verveel je je op het feest?* Het eerste *je* is het onderwerp, het tweede is het wederkerend voornaamwoord.
- Wanneer gebruik je *zichzelf* in plaats van het kale *zich*?
- altijd, het is beleefder
- alleen in het meervoud
- als je wilt benadrukken dat het onderwerp, en niet iemand anders, het doelwit is
- na een voorzetsel
*Zichzelf* is de nadrukkelijke vorm, voor contrast: *Ze heeft zichzelf geknipt*. Voor een gewoon wederkerend werkwoord is *zich* genoeg.
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: Wij ___ ons elke ochtend. (zich wassen)