Nederlandse nevenschikkende voegwoorden: en, maar, of, want en dus
Vijf veelgebruikte Nederlandse verbindingswoorden — en, maar, of, want en dus — verbinden gelijkwaardige delen, waarbij voor dus twee standaardwoordvolgordes bestaan.
Ik werk vandaag, maar morgen ben ik vrij. Maar is een nevenschikkend voegwoord. Het verbindt gelijkwaardige delen zonder van een van de hoofdzinnen een bijzin te maken. Dit artikel behandelt vijf veelgebruikte verbindingswoorden: en, maar, of, want en dus.
Hoe verbind je twee hoofdzinnen?
Schrijf elke hoofdzin met de gewone woordvolgorde en zet het voegwoord ertussen. Een hoofdzin kan zelfstandig staan. De persoonsvorm is het vervoegde werkwoord. In een mededelende zin staat die normaal op de tweede plaats.
- Schrijf de eerste zin: Ik werk vandaag.
- Kies het verbindingswoord: maar.
- Schrijf de tweede zin als een gewone hoofdzin: Morgen ben ik vrij.
Zet de delen bij elkaar: Ik werk vandaag, maar morgen ben ik vrij. Hier staat morgen op de eerste plaats. Het werkwoord ben staat op de tweede plaats. Het onderwerp ik volgt. In de tweede zin neemt het voegwoord zelf geen zinsplaats in. Die zin volgt nog steeds de regel voor de persoonsvorm op de tweede plaats.
Wanneer gebruik je welk woord?
| Woord | Verband | Voorbeeld |
|---|---|---|
| en | voegt informatie toe | Noor kookt en Sam dekt de tafel. |
| maar | geeft een tegenstelling aan | Ik werk vandaag, maar morgen ben ik vrij. |
| of | biedt een keuze | Ga je mee of blijf je thuis? |
| want | geeft een reden | Ik ga naar huis, want ik ben moe. |
| dus | geeft een gevolg of conclusie | De les valt uit, dus we gaan naar huis. |
De verbonden delen hoeven niet altijd volledige zinnen te zijn. En, maar en of kunnen ook woorden of woordgroepen verbinden: Ik haal koffie en thee. Als twee verbonden zinnen hetzelfde onderwerp hebben, noemt het Nederlands dat vaak maar één keer: Noor kookt en dekt de tafel.
Waarom heeft dus twee woordvolgordes?
Het regent, dus we blijven binnen. / Het regent, dus blijven we binnen. Beide patronen zijn correct.
| Patroon | Functie van dus | Wat gebeurt er? |
|---|---|---|
| dus we blijven binnen | voegwoord | we staat vooraan in de zin en blijven staat op de tweede plaats |
| dus blijven we binnen | verbindend bijwoord | dus staat vooraan in de zin, dus blijven komt vóór we |
Grammaticabronnen gebruiken verschillende benamingen voor dus. Sommige noemen het een voegwoord. Andere noemen het een verbindend bijwoord. Beide woordvolgordes hierboven zijn standaard Nederlands. Op de pagina over verbindende bijwoorden en inversie vergelijk je de twee patronen en leer je woorden als daarom en daardoor.
want en omdat: woordvolgorde
Ik blijf thuis, want ik ben moe. Na want gebruik je de gewone hoofdzinvolgorde: ik ben moe, niet ik moe ben. Na het onderschikkende voegwoord omdat gaat het werkwoord wel naar het eind: Ik blijf thuis omdat ik moe ben.
Zet de reden met want niet als bijzin vooraan: niet Want ik ben moe, blijf ik thuis. Gebruik Omdat ik moe ben, blijf ik thuis. Want mag wel aan het begin van een nieuwe geschreven zin staan als die zin aansluit op de vorige, maar die stijl is informeel.
Onderschikkend of in een indirecte vraag
Ik weet niet of Noor morgen kan komen. Hier biedt of geen keuze, maar leidt het een indirecte vraag en een bijzin in. De werkwoorden kan komen staan daarom aan het eind.
Zie ook
Vergelijk dit patroon met onderschikkende voegwoorden, waarbij de werkwoorden aan het eind van hun zin staan. Lees voor redenen ook want, omdat of doordat. Bekijk de regel voor de persoonsvorm op de tweede plaats als de volgorde morgen ben ik nog nieuw is.
- Welke rij bevat de vijf veelgebruikte verbindingswoorden uit dit artikel?
- en, maar, of, want, dus
- omdat, dat, als, terwijl, hoewel
- en, omdat, of, dus, terwijl
- want, dus, zodat, nadat, of
De vijf veelgebruikte verbindingswoorden zijn *en*, *maar*, *of*, *want* en *dus*. Met *dus* zijn zowel *dus we blijven* als *dus blijven we* standaard.
- Vul in: *Ik werk vandaag, maar morgen ___.*
- ben ik vrij
- ik ben vrij
- ik vrij ben
- ben vrij ik
De tweede zin houdt de gewone volgorde met de persoonsvorm op de tweede plaats. Het tijdwoord *morgen* staat op de eerste plaats. De persoonsvorm *ben* komt daarna. Het onderwerp *ik* volgt: *maar morgen ben ik vrij*.
- Vul in: *Ik ga naar huis, ___ ik ben moe.*
- want
- dus
- of
- en
*Want* geeft de reden om naar huis te gaan. Hierna volgt de gewone hoofdzinvolgorde *ik ben moe*.
- Welke optie bevat twee correcte zinnen?
- *Het regent, dus we blijven binnen.* / *Het regent, dus blijven we binnen.*
- *Het regent, dus we binnen blijven.* / *Het regent, dus binnen we blijven.*
- *Het regent, dus blijven binnen we.* / *Het regent, dus we binnen blijven.*
- *Het regent, dus binnen we blijven.* / *Het regent, dus we blijven binnen.*
Zowel *dus we blijven binnen* als *dus blijven we binnen* zijn correct. In de eerste zin werkt *dus* als voegwoord. In de tweede zin staat *dus* als bijwoord op de eerste plaats, waardoor het werkwoord vóór het onderwerp komt.
- In welke zin leidt *of* een indirecte vraag in en biedt het geen keuze?
- *Ik weet niet of Noor morgen kan komen.*
- *Wil je koffie of thee?*
- *Ga je mee of blijf je thuis?*
- *We reizen met de bus of met de trein.*
Hier leidt *of* een indirecte vraag in. Het begint een bijzin, dus *kan komen* staat aan het eind. In de andere zinnen biedt *of* een keuze.
Test jezelf
Question 1 of 5
Welke rij bevat de vijf veelgebruikte verbindingswoorden uit dit artikel?