Inburgering.org Logo

Inburgering.org

  • Cursussen
  • Exameninfo
  • Podcasts
  • Gratis
Inburgering.org Logo

Inburgering.org

Prijzen

Exameninfo

Podcasts

Grammatica

Privacybeleid

Algemene voorwaarden

Veelgestelde vragen

Contact

Partners

Luisteren

A1

A2

B1

B2

Lezen

A1

A2

B1

B2

Spreken

A1

A2

B1

B2

Schrijven

A1

A2

B1

B2

Inburgering

A1

A2

B1

B2

KNM

KNS

Hulp nodig?
Neem contact met ons op via info@inburgering.org

Word lid van onze community:

Instagram

Oefenbot

Telegram-groep

Facebook-groep:

A1

A2

B1

B2

Telegram-kanalen:

A1

A2

B1

B2

© 2026 Inburgering.org. Alle rechten voorbehouden.

Inburgering.org/Grammar/Dagen, maanden en datums

Dagen, maanden en datums

De dagen en maanden (allemaal met een kleine letter), het datumpatroon op dinsdag 3 maart 2026, en de voorzetsels op en in.

In het Nederlands schrijf je de dagen van de week en de maanden van het jaar met een kleine letter, ook midden in een zin: maandag, maart. Een volledige datum loopt van klein naar groot — eerst de dag, dan de maand, dan het jaar: dinsdag 3 maart 2026.

De dagen en maanden

Leer elke dag en maand als een woord met een kleine letter; anders dan in het Engels krijgt geen enkele ooit een hoofdletter, behalve aan het begin van een zin. Meer hierover in hoofdletters in het Nederlands.

DutchNederlands
maandagma
dinsdagdi
woensdagwo
donderdagdo
vrijdagvr
zaterdagza
zondagzo
DutchNederlands
januarieerste maand
februaritweede maand
maartderde maand
aprilvierde maand
meivijfde maand
junizesde maand
julizevende maand
augustusachtste maand
septembernegende maand
oktobertiende maand
novemberelfde maand
decembertwaalfde maand

Hoe schrijf en zeg je een datum

Schrijf de dag als een gewoon getal zonder uitgang, dan de maand, dan het jaar: 3 maart 2026. In het Nederlands krijgt het daggetal geen achtervoegsel, zoals het Engels 3rd of 4th schrijft.

  1. De volgorde is dag, maand, jaar: 3 maart 2026, niet maart 3, 2026.
  2. Het daggetal schrijf je als een gewoon cijfer (3), maar je spreekt het uit als rangtelwoord met de: 3 maart spreek je uit als de derde maart.
  3. Het jaartal lees je als hoofdtelwoord: 2026 is tweeduizend zesentwintig.
  4. In cijfers schrijf je de datum als dag-maand-jaar met streepjes of schuine strepen: 03-03-2026 of 3-3-2026.

Voorzetsels: op, in en de seizoenen

Gebruik op voor een dag of een volledige datum, en in voor een maand, een jaar of een seizoen.

  • op + dag of datum: op maandag, op zaterdag, op 3 maart.
  • in + maand of jaar: in maart, in 2026.
  • in + seizoen: in de lente, in de zomer, in de herfst, in de winter. De vier seizoenen zijn de lente, de zomer, de herfst en de winter.
  • Voor een terugkerende dag voeg je -s toe: 's maandags of op maandag.

Veelgemaakte fouten

Wie Engels gewend is, schrijft dagen en maanden uit gewoonte met een hoofdletter: Maandag, Maart. In het Nederlands blijven ze midden in een zin met een kleine letter — op maandag 3 maart — en krijgen ze alleen een hoofdletter aan het begin van een zin. De omgekeerde valkuil komt net zo vaak voor: bijvoeglijke naamwoorden voor talen en nationaliteiten zijn afgeleid van plaatsnamen en krijgen in het Nederlands wél een hoofdletter — een Nederlandse krant, Franse kaas — zoals hoofdletters in het Nederlands volledig uitlegt.

  • Wat is correct geschreven in het Nederlands?
    • op Maandag 3 Maart
    • op maandag 3 maart
    • op maandag 3de maart
    • Op Maandag 3 Maart

    Dagen en maanden krijgen midden in een zin een kleine letter, en het daggetal is een gewoon cijfer zonder uitgang: *op maandag 3 maart*.

  • Wat is de juiste volgorde voor een datum?
    • maart 3 2026
    • 2026 maart 3
    • 3 maart 2026
    • 3 2026 maart

    Datums lopen dag, maand, jaar: *3 maart 2026*.

  • Vul in: *Mijn verjaardag is ___ juni.*
    • op
    • in
    • aan
    • om

    Maanden krijgen *in*: *in juni*. *op* is voor een specifieke dag of datum.

  • Hoe spreek je de datum *5 mei* uit?
    • vijf mei
    • de vijfde mei
    • de vijf mei
    • vijfde mei

    Het daggetal spreek je uit als rangtelwoord met *de*: *de vijfde mei*, ook al schrijf je het als *5 mei*.

  • Welk voorzetsel past: *___ de winter draag ik een jas.*
    • Op
    • Om
    • In
    • Aan

    Seizoenen krijgen *in*: *in de winter*, *in de zomer*. Let op: *winter* en *zomer* zijn *de*-woorden.

Test jezelf

Question 1 of 5

Wat is correct geschreven in het Nederlands?

See also

  • Nederlandse rangtelwoorden: eerste, tweede, derde
  • Nederlandse hoofdtelwoorden: 0 tot 100 en verder
  • Hoofdletters in het Nederlands: namen, talen, dagen