Nederlandse vraagwoorden: wie, wat, welk(e) en wat voor (een)
Kies wie, wat, welk(e) of wat voor (een) en zet daarna het werkwoord op de juiste plek.
In het Nederlands gebruik je wie, wat, welk(e) en wat voor (een). Haakjes geven aan dat een deel verandert of kan worden weggelaten: kies welk of welke en gebruik een alleen in sommige vragen met wat voor.
Welk vraagwoord heb je nodig?
Gebruik wie voor een persoon en wat voor een ding of handeling. Gebruik welk(e) om één optie uit een bekende groep te kiezen. Met wat voor (een) vraag je naar een soort of type.
| Betekenis | Nederlands patroon | Voorbeeld |
|---|---|---|
| een persoon | wie | Wie belt er? |
| een ding of handeling | wat | Wat lees je? |
| een keuze uit bekende opties | welk(e) + zelfstandig naamwoord | Welke trein neem je? |
| een soort of type | wat voor (een) + zelfstandig naamwoord | Wat voor werk doe je? |
Waar staan het vraagwoord en het werkwoord?
De persoonsvorm is de werkwoordsvorm die verandert met het onderwerp of de tijd. Zet in een hoofdvraag het vraagwoord of de hele vraagwoordgroep vooraan en de persoonsvorm op de tweede plaats. Als de vraagwoordgroep niet het onderwerp is, komt het onderwerp na de persoonsvorm: Wat lees je? en Welke trein neem je?
Een onderwerpsvraag vraagt wie of wat de handeling uitvoert. De vraagwoordgroep is dan al het onderwerp, dus na de persoonsvorm komt geen tweede onderwerp: Wie belt er? en Welke trein vertrekt om acht uur? Bij veel onderwerpsvragen gebruikt het Nederlands er: Wie belt er? Niet iedere onderwerpsvraag krijgt er: Wie is je docent? Zie woordvolgorde bij open vragen en presentatief er.
Hoe werken wie en wat na een voorzetsel?
Het Nederlands heeft geen aparte vorm voor ‘wie’ als voorwerp. Zet bij een persoon het voorzetsel vóór wie: Met wie ga je? en Over wie praat je?
Als je naar een ding vraagt, gebruik je in neutraal Nederlands van Nederland meestal een *waar-*vorm: Waarmee schrijf je? en Waarover praat je? Bij met wordt het tweede deel mee. Vormen zoals met wat en over wat komen voor in echovragen, spreektaal en regionaal Nederlands. Leer de *waar-*vorm als neutrale standaard en bekijk het bredere patroon bij er en waar met voorzetsels.
Vraag naar de eigenaar met van wie: Van wie is deze fiets? Een apart vraagwoord voor bezit kent het dagelijks Nederlands niet. Het antwoord houdt van vast: Van mij. of Van Anna. Het eenwoordige wiens hoort in formele schrijftaal; schrijf zelf van wie. Zie bezit met van.
Wanneer gebruik je welk en welke?
Gebruik vóór een zelfstandig naamwoord welk bij een enkelvoudig het-woord. Gebruik welke bij een enkelvoudig de-woord en bij elk meervoud.
| Zelfstandig naamwoord | Vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| enkelvoudig het-woord | welk | Welk boek lees je? — het boek |
| enkelvoudig de-woord | welke | Welke trein neem je? — de trein |
| meervoud | welke | Welke schoenen koop je? |
Soms laat je een zelfstandig naamwoord weg omdat het uit de context duidelijk is. De vorm past dan normaal nog steeds bij dat woord: Ik heb twee boeken. Welk wil je? Hier is boek weggelaten. Dat is een het-woord, dus zelfstandig welke is geen algemene regel. Zie welke en wat voor voor zelfstandige vormen en keuzes met welk(e) van.
Wanneer gebruik je wat voor (een)?
Gebruik wat voor (een) als het antwoord een soort of type moet noemen. Bij één ding zijn beide vormen mogelijk: Wat voor boek lees je? en Wat voor een boek lees je?
Vóór een meervoud of een stofnaam laat neutraal Nederlands van Nederland een weg: Wat voor boeken lees je? en Wat voor koffie drink je? Zie welke en wat voor voor het volledige onderscheid en andere plaatsen in de zin.
Kan wat direct vóór een zelfstandig naamwoord staan?
Het vragende wat staat normaal niet direct vóór een zelfstandig naamwoord. Gebruik dus niet wat boek. Gebruik welk boek bij een bekende keuze of wat voor (een) boek als je naar een type vraagt. In Wat lees je? staat wat zelfstandig.
Een ander, niet-vragend wat kan wel vóór een meervoud of een stofnaam staan. Het betekent ‘enkele’ of ‘een beetje’: Ik heb wat vragen. Wil je wat water?
Zie ook
- Bekijk alle Nederlandse vraagwoorden.
- Vergelijk identificatie- en typevragen bij welke en wat voor.
- Bekijk de woordsoorten in het overzicht van de en het.
- Vul in: *___ belt er aan?*
- *Wat*
- *Wie*
- *Welke*
- *Welk*
Gebruik *wie* als je naar een persoon vraagt: *Wie belt er aan?*
- Vul in: *___ lees je?*
- *Wie*
- *Wat*
- *Welke*
- *Wat voor*
Gebruik *wat* zelfstandig als je vraagt wat iemand leest: *Wat lees je?*
- Je kiest tussen twee films. Vul in: *___ film wil je zien?*
- *Welk*
- *Welke*
- *Wat*
- *Wie*
Dit is een bekende keuze en *film* is een enkelvoudig *de*-woord. Gebruik *welke*: *Welke film wil je zien?*
- Je vergelijkt drie boeken. Vul in: *___ boek is het beste?*
- *Welke*
- *Welk*
- *Wat voor*
- *Wie*
Dit is een bekende keuze en *boek* is een enkelvoudig *het*-woord. Gebruik *welk*: *Welk boek is het beste?*
- Vul de vraag over een soort in: *___ schoenen draag je?*
- *Welke*
- *Wat voor*
- *Wat voor een*
- *Wat*
De vraag gaat over een soort en *schoenen* is meervoud. In neutraal Nederlands van Nederland gebruik je *wat voor* zonder *een*: *Wat voor schoenen draag je?*
Test jezelf
Question 1 of 5
Vul in: ___ belt er aan?