Basisexamen Spreken A1: opbouw, beoordeling en oefenvragen
Gids voor A1 Spreken met de 30-minutenopbouw, beoordeling, antwoordstrategie en 22 originele oefenvragen.
- Auteur
- Door Inburgering.org team (Redactieteam)
- Reviewer
- Gereviewd door Kirill Svavolia (Redactionele review)
- Laatst bijgewerkt
Spreekvaardigheid is het A1-spreekonderdeel van het basisexamen inburgering buitenland. Het duurt 30 minuten en heeft 22 korte gesproken antwoorden: 10 vragen waarop je zelf antwoord geeft en 12 zinnen die je afmaakt met hulp van een plaatje. Elke opname mag maximaal 60 seconden duren. Oefen met korte, duidelijke Nederlandse antwoorden in plaats van lange scripts.
Belangrijkste punten
- Het examen Spreken A1 is helemaal digitaal en je gebruikt een headset met microfoon.
- Onderdeel 1, Vraag en antwoord, heeft 10 alledaagse vragen. Je hoort iemand op het scherm en geeft zelf antwoord.
- Onderdeel 2, Zinnen afmaken, heeft 12 aanvulzinnen. Je ziet een plaatje, leest en hoort de zin en maakt de zin hardop af.
- Gebruik bij het oefenen 2 punten per opdracht: 1 punt voor een passend antwoord en 1 punt voor verstaanbare uitspraak.
- Een nuttig oefendoel is 34 van de 44 punten. De officiële uitslag is een cijfer van 1 tot 10, en met een 6 of hoger slaag je voor Spreken.
- Menselijke beoordelaars kijken de spreekantwoorden na met het beoordelingsmodel A1.
Wat wordt getest
Het examen test of je eenvoudig Nederlands kunt spreken in dagelijkse situaties: waar je woont, wat je doet, wat je nodig hebt, hoe je reist, wat je eet en wat er op een plaatje gebeurt. Een goed A1-antwoord mag heel kort zijn. Het moet passen bij de vraag en begrijpelijk zijn voor een geoefende luisteraar.
Twee soorten opdrachten
- Vraag en antwoord: luister naar het vraagwoord, zoals wat, waar, wanneer, hoe, wie of waarom. Begin met een direct antwoord: Ik ga..., Ik woon..., Ik eet..., Mijn familie...
- Zinnen afmaken: kijk eerst naar het plaatje. Maak alleen het begin van de zin af. Eén logische woordgroep is vaak genoeg: naar school, met de bus, warm, in de tas, voor mijn moeder.
- Timergewoonte: wacht niet op een perfecte zin. Begin in de eerste seconden met spreken en voeg daarna één simpele extra informatie toe als dat nodig is.
Hoe de beoordeling werkt
Het A1-beoordelingsmodel kijkt bij beide opdrachtsoorten naar twee dingen: adequaatheid en uitspraak. Als het antwoord ontbreekt, niet verstaanbaar is of geen antwoord op de opdracht is, krijgt adequaatheid 0 en wordt de uitspraak ook 0. Kleine grammaticafouten zijn minder riskant dan stilte of een antwoord dat niet bij de vraag past.
- Adequaatheid: beantwoord je de vraag, of maak je de zin logisch af?
- Uitspraak: kan een geoefende luisteraar je met enige inspanning verstaan?
- Beste strategie: gebruik woorden die je duidelijk kunt uitspreken, ook als de zin simpel is.
Antwoordplan voor 60 seconden
- 0-5 seconden: zoek het belangrijkste woord in de vraag of op het plaatje.
- 5-20 seconden: zeg het directe antwoord in één simpele zin.
- 20-45 seconden: voeg één detail toe bij Vraag en antwoord. Bij Zinnen afmaken stop je als de aanvulling al duidelijk is.
- 45-60 seconden: herhaal of herstel alleen als dat nodig is: Sorry, ik bedoel... of Ik zeg het nog een keer.
Originele A1-oefenset
Deze A1-oefeningen gebruiken dezelfde praktische stijl, korte lengte en dagelijkse woordenschat als het echte examen. Neem elk antwoord maximaal 60 seconden op en geef jezelf maximaal 2 punten.
Onderdeel 1: Vraag en antwoord
- 1. Vraag: U bent bij de apotheek. Wat koopt u? Goed antwoord: Ik koop medicijnen en pleisters.
- 2. Vraag: U hebt een vrije dag. Wat doet u? Goed antwoord: Ik ga wandelen en ik bel mijn familie.
- 3. Vraag: U ziet een kind vallen. Wat doet u? Goed antwoord: Ik help het kind en ik vraag: gaat het?
- 4. Vraag: U gaat naar de markt. Wat koopt u? Goed antwoord: Ik koop tomaten, brood en appels.
- 5. Vraag: U bent moe. Wat doet u vanavond? Goed antwoord: Ik eet vroeg en ik ga naar bed.
- 6. Vraag: U wilt Nederlands oefenen. Met wie praat u? Goed antwoord: Ik praat met mijn buurman en met mijn docent.
- 7. Vraag: U krijgt een brief. Wat doet u? Goed antwoord: Ik lees de brief. Soms vraag ik hulp.
- 8. Vraag: Uw fiets is kapot. Hoe gaat u naar school of werk? Goed antwoord: Ik ga met de bus of ik loop.
- 9. Vraag: U kookt voor uw familie. Wat maakt u? Goed antwoord: Ik maak rijst met groente.
- 10. Vraag: U moet om negen uur ergens zijn. Hoe laat vertrekt u? Goed antwoord: Ik vertrek om half negen.
Onderdeel 2: Zinnen afmaken
- 11. Plaatje: een kom warme soep. Maak af: Mira roert in de soep. De soep is... Mogelijk antwoord: warm.
- 12. Plaatje: een man kijkt onder een stoel. Maak af: Pavel zoekt zijn sleutel. Hij kijkt... Mogelijk antwoord: onder de stoel.
- 13. Plaatje: een vrouw met een handdoek bij de badkamer. Maak af: Yara pakt een handdoek. Ze gaat... Mogelijk antwoord: douchen.
- 14. Plaatje: brood in een schooltas. Maak af: Sami doet brood in zijn tas. Hij neemt brood mee naar... Mogelijk antwoord: school.
- 15. Plaatje: een vrouw bij de kassa. Maak af: Lotte staat bij de kassa. Ze gaat... Mogelijk antwoord: betalen.
- 16. Plaatje: een donkere kamer en een lamp. Maak af: Jin doet de lamp aan. Het is... Mogelijk antwoord: donker.
- 17. Plaatje: een vrouw opent de koelkast. Maak af: Amina opent de koelkast. Ze zoekt... Mogelijk antwoord: eten.
- 18. Plaatje: een bericht op een telefoon. Maak af: Pavel leest een bericht. Het bericht staat op zijn... Mogelijk antwoord: telefoon.
- 19. Plaatje: een vrouw met een helm naast een fiets. Maak af: Nour draagt een helm. Ze rijdt op haar... Mogelijk antwoord: fiets.
- 20. Plaatje: bloemen op tafel. Maak af: Diego legt bloemen op tafel. De bloemen zijn voor... Mogelijk antwoord: zijn moeder.
- 21. Plaatje: een natte jas aan de kapstok. Maak af: Yusuf hangt zijn jas op. Zijn jas is... Mogelijk antwoord: nat.
- 22. Plaatje: een klok en iemand die rent. Maak af: Iris kijkt op de klok. Ze is... Mogelijk antwoord: te laat.
Zo bereid je je voor
- Oefen eerst met de officiële materialen van Naar Nederland, zodat je de exameninterface en A1-woordenschat kent.
- Neem je antwoorden op. Als je je eigen kernwoorden niet begrijpt, maak je de zin korter.
- Maak antwoordzinnen voor dagelijkse onderwerpen: familie, huis, eten, reizen, werk, school, gezondheid, boodschappen en weer.
- Oefen beide opdrachtsoorten. Alleen goed worden in vraag-en-antwoord is niet genoeg als aanvulzinnen nog vreemd voelen.
- Gebruik de online cursus Speaking A1 als je opnames met timer en feedback wilt.
Official Sources
Official source checked: May 2026.
- Naar Nederland - Taking practice exams - officiële pagina over het oefenexamen Spreken met 22 vragen en 30 minuten tijd.
- Beoordelingsmodel Spreekvaardigheid A1 - officieel beoordelingsmodel voor adequaatheid en uitspraak bij Spreken A1.
- Examenreglement basisexamen inburgering - regels voor aanmelden, examenonderdelen, uitslag en herkansingen.