Basisexamen Spreken A1: vraagsoorten en antwoordpatronen
Begrijp de twee soorten opdrachten bij Spreken A1: vraag-antwoord en zinnen afmaken, met eenvoudige patronen en originele voorbeelden.
- Auteur
- Door Inburgering.org team (Redactieteam)
- Reviewer
- Gereviewd door Kirill Svavolia (Redactionele review)
- Laatst bijgewerkt
Het A1-onderdeel Spreken van het basisexamen inburgering buitenland heeft twee soorten opdrachten: 10 korte vragen waarop je zelf antwoord geeft en 12 zinnen die je hardop afmaakt met hulp van een plaatje. Het hele spreekexamen duurt 30 minuten. De beste strategie is niet lange teksten uit je hoofd leren, maar snel herkennen wat de opdracht vraagt en eenvoudig Nederlands gebruiken dat bij de situatie past.
Kort antwoord: welke vraagsoorten zijn er bij Spreken A1?
Er zijn twee soorten: Vraag en antwoord, waarbij je een dagelijkse vraag hoort en zelf antwoord geeft, en Zinnen afmaken, waarbij je een korte situatie hoort en de volgende zin afmaakt. Een voldoende A1-antwoord mag kort zijn als het logisch en verstaanbaar is.
Belangrijkste punten
- De openbare pagina van Naar Nederland zegt dat het echte spreekexamen en het oefenexamen allebei 22 vragen hebben en 30 minuten duren.
- Onderdeel 1 heeft 10 vraag-antwoordopdrachten. Luister eerst naar het vraagwoord: wat, waar, wanneer, hoe, wie, waarom, hoeveel of hoe vaak.
- Onderdeel 2 heeft 12 aanvulzinnen. Het plaatje is belangrijk, want het laat plaats, handeling, voorwerp of gevoel zien.
- Het officiele beoordelingsmodel geeft punten voor adequaatheid en uitspraak. Stilte of een antwoord dat niet past is het grootste risico.
- Deze voorbeelden zijn originele oefenvoorbeelden. Het zijn geen officiele examenvragen en geen lijst om letterlijk te leren.