Een kort antwoord dat bij de opdracht past
Bij Spreken A1 kan een kort antwoord punten opleveren. Het moet bij de opdracht passen en verstaanbaar zijn. Beantwoord een vraag bijvoorbeeld met één eenvoudige zin: Ik ga met de bus. Maak je een zin af? Zeg dan de ontbrekende woorden. Geef een extra detail als de vraag daarom vraagt of als je antwoord te vaag is. Je resultaat voor het hele spreekexamen bepaalt of je slaagt.
Opdrachten en punten
Bij Spreken beantwoord je alledaagse vragen en maak je zinnen af in het Nederlands. Volgens Naar Nederland (Externe website, opent in een nieuw tabblad) heeft het spreekexamen 22 opdrachten en duurt het 30 minuten. Je beantwoordt 10 vragen en maakt 12 zinnen af. De gids over Basisexamen Spreken A1 legt de hele examenopbouw uit.
Je neemt je antwoorden op met een computer. Mensen beoordelen je spreekantwoorden. Dat staat op de examenpagina van Naar Nederland (Externe website, opent in een nieuw tabblad). Volgens het Beoordelingsmodel Spreken A1, PDF, 254 KB (Externe website, opent in een nieuw tabblad) kun je per antwoord maximaal 2 punten krijgen:
- Passend antwoord: 1 punt als je antwoord bij de vraag past of de zin logisch afmaakt.
- Uitspraak: 1 punt als een getrainde luisteraar je antwoord met enige moeite kan begrijpen.
Krijg je 0 punten voor een passend antwoord? Dan krijg je ook 0 punten voor uitspraak. Een lang antwoord levert geen extra punten op voor de lengte. Kies woorden die je duidelijk kunt uitspreken. Grammatica krijgt in het openbare beoordelingsmodel geen aparte score. Je antwoord moet wel bij de opdracht passen en verstaanbaar zijn.
Om te slagen voor Spreken A1 heb je ongeveer 34 van de 44 punten nodig. Je officiële uitslag (Externe website, opent in een nieuw tabblad) is een cijfer van 1 tot 10. Je slaagt met een 6 of hoger. Voor de 16 oefenopdrachten hieronder komt dezelfde grens neer op ongeveer 25 van de 32 punten.
Zo gebruik je de voorbeeldantwoorden
Dit zijn onze eigen oefenvoorbeelden. In elke rij zie je een opdracht, een voorbeeldantwoord en een uitleg. Die uitleg laat zien waarom het antwoord past. Kies bij het examen een antwoord dat past bij de vraag die je hoort.
Oefen bij een vraag met een kort onderwerp, een eenvoudig werkwoord en het gevraagde detail. Met Ik woon met mijn partner zeg je bijvoorbeeld met wie je woont. Bij een aanvulzin oefen je de woorden die na het begin van de zin komen. De soep is warm is een hele zin. Na De soep is… hoef je alleen warm te zeggen.
Als je gewend bent antwoorden uit je hoofd te leren, controleer dan bij elke oefening of je antwoord past bij de vraag die je hoort.
Lees de gids over de soorten spreekopdrachten op A1 als je de twee soorten opdrachten nog niet herkent. Deze voorbeelden helpen je oefenen. Eén voorbeeldantwoord geeft geen garantie dat je slaagt.
Voorbeelden bij Vraag en antwoord
Elk antwoord noemt de persoon, handeling, reden of het detail waar de vraag om vraagt. In de laatste kolom lees je waarom het antwoord past.
Brede tabellen kun je horizontaal scrollen.
| Opdracht | Voorbeeldantwoord | Waarom dit antwoord past |
|---|---|---|
| U bent bij een vriend. Wat drinkt u? | Ik drink thee. | De vraag begint met wat en vraagt naar een drankje. Het antwoord noemt thee. |
| U wilt Nederlands oefenen. Wat doet u? | Ik praat elke dag met mijn buurvrouw. | Het antwoord noemt wat je doet en hoe vaak je dat doet. |
| Uw telefoon is leeg. Wat doet u? | Ik laad mijn telefoon op. | De telefoon opladen is een oplossing voor het probleem. |
| U gaat naar school. Hoe reist u? | Ik ga met de tram. | De vraag begint met hoe en vraagt naar de manier van reizen. Het antwoord noemt een vervoermiddel. |
| U bent ziek. Wie belt u? | Ik bel de huisarts. | De vraag begint met wie en vraagt naar een persoon. Het antwoord noemt de huisarts. |
| U hebt zaterdag vrij. Wat gaat u doen? | Ik ga koken en daarna rusten. | Het antwoord geeft een plan voor zaterdag. |
| U leert Nederlands. Waarom? | Omdat ik in Nederland wil wonen. | De vraag waarom vraagt naar een reden. Het antwoord geeft die reden. |
| U koopt een cadeau. Voor wie is het? | Het cadeau is voor mijn zus. | Het antwoord zegt wie het cadeau krijgt. |
In het voorbeeld over ziek zijn staat het woord huisarts. In de gids Een huisarts vinden en bezoeken in Nederland lees je hoe je dat woord in het dagelijks leven gebruikt.
Voorbeelden bij Zinnen afmaken
Zeg de ontbrekende woorden om de Nederlandse zin af te maken. Lees de beginzin en het antwoord achter elkaar. Controleer of de zin grammaticaal klopt en past bij de situatie.
Brede tabellen kun je horizontaal scrollen.
| Beginzin | Aanvulling | Waarom deze aanvulling past |
|---|---|---|
| Noura pakt haar tas. Ze gaat... | naar school. | Na “Ze gaat” past een plaats waar ze naartoe gaat. |
| De koffie is heel heet. Ik wacht, want de koffie is... | te warm. | De aanvulling legt uit waarom je wacht. |
| Milan staat bij de kassa. Hij gaat... | betalen. | Bij de kassa betaal je. Deze handeling past bij de situatie. |
| Hana snijdt groente. Ze maakt... | soep. | Met groente kun je soep maken. |
| Yusuf doet zijn jas aan. Buiten is het... | koud. | De kou verklaart waarom hij zijn jas aandoet. |
| Maria zoekt haar bril. Ze kan niet goed... | zien. | Het werkwoord zien maakt de zin over de bril af. |
| Amir hoort de deurbel. Hij loopt naar... | de deur. | De deur hoort bij het geluid van de deurbel. |
| Leyla koopt brood. Ze koopt ook... | kaas. | Kaas is ook een voedingsmiddel dat ze kan kopen. |
Een onduidelijk antwoord verbeteren
De eerste drie voorbeelden laten zien hoe je directer antwoord geeft op de vraag. Het laatste voorbeeld helpt als je woorden moeilijk kunt uitspreken.
Brede tabellen kun je horizontaal scrollen.
| Probleem of opdracht | Antwoord om te verbeteren | Verbeterd antwoord |
|---|---|---|
| Te vaag: Hoe gaat u naar school? | Ja. | Ik ga met de bus. Het antwoord noemt nu een vervoermiddel. |
| Past niet bij de vraag: U bent ziek. Wie belt u? | Ik ben goed. | Ik bel de huisarts. Het antwoord noemt nu wie je belt. |
| Onvolledig antwoord: Wat gaat u morgen doen? | Ik ga morgen misschien met mijn vriend en dan misschien... | Morgen ga ik naar school. Rond je antwoord af zodra je plan duidelijk is. |
| Woorden die je moeilijk kunt uitspreken | Een lange zin met veel nieuwe woorden. | Een korte zin met woorden die je duidelijk kunt zeggen. |
Je antwoorden opnemen en beluisteren
Bereid korte antwoorden voor over waar je woont, met wie je woont, waarom je Nederlands leert, hoe je reist en wat je op een vrije dag doet. Oefen daarna met één opdracht tegelijk:
- Lees een oefenopdracht.
- Neem je antwoord op.
- Luister naar je opname. Hoor je de woorden die de vraag beantwoorden?
- Maak de zin korter als die woorden niet duidelijk zijn.
- Verander de persoon, plaats, het eten, het vervoermiddel of de tijd.
- Neem je nieuwe antwoord op.
In het eerste deel van het examen stelt een persoon op het scherm de vraag. Oefen eerst met geschreven opdrachten. Beantwoord daarna gesproken vragen zonder mee te lezen. Maak je een grammaticafout? Rond je antwoord af. Controleer achteraf of je antwoord nog bij de vraag past en verstaanbaar is.
Begin met de officiële oefeningen voor Spreken A1 van DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs) (Externe website, opent in een nieuw tabblad). Gebruik daarna het gratis oefenexamen Spreken A1 van Inburgering.org om verder te oefenen. Ons oefenexamen bevat onze eigen oefenopdrachten.
Kies je volgende oefening
Beantwoord je de vraag niet? Oefen dan eerst met herkennen wat de opdracht vraagt. Neem daarna opnieuw op. Passen je antwoorden wel, maar zijn ze moeilijk te verstaan? Maak ze korter en oefen de onduidelijke woorden. Kun je passende en verstaanbare antwoorden geven? Oefen dan beide soorten opdrachten samen met het officiële oefenexamen. Gebruik de vorm van de voorbeeldantwoorden en kies woorden die bij elke nieuwe opdracht passen.
- Auteur
- Door Inburgering.org team
- Reviewer
- Gereviewd door Kirill Svavolia
Officiële bronnen
- Naar Nederland: officiële oefenexamens (Externe website, opent in een nieuw tabblad) - Bevestigt 22 spreekopdrachten: 10 vragen en 12 aanvulzinnen. Het examen duurt 30 minuten en je neemt je antwoorden op met een microfoon. Bevat links naar de officiële oefeningen en het openbare beoordelingsmodel.
- Spreken A1 Maart 2024 (Externe website, opent in een nieuw tabblad) - Openbare spreekvragen en beginzinnen (PDF, 300 KB), gebruikt om het soort opdrachten te controleren. De voorbeelden in dit artikel zijn onze eigen oefeningen.
- Beoordelingsmodel Spreken A1 (Externe website, opent in een nieuw tabblad) - Eerder openbaar model (PDF, 254 KB): 0 of 1 punt voor een passend antwoord en voor uitspraak. Bij 0 punten voor een passend antwoord is de uitspraak ook 0 punten.
- Examenprogramma basisexamen inburgering (Externe website, opent in een nieuw tabblad) - Wettelijk examenprogramma met de soorten spreekopdrachten op A1, afname op de computer en beoordeling door mensen.
- Examenreglement basisexamen inburgering (Externe website, opent in een nieuw tabblad) - Regels over de cijferschaal, het cijfer waarmee je slaagt en herkansingen voor onderdelen van het basisexamen.
- Naar Nederland: examen doen (Externe website, opent in een nieuw tabblad) - Bevestigt dat je het examen op de computer maakt en dat mensen je spreekantwoorden beoordelen. De cijfers lopen van 1 tot 10; je slaagt met een 6 of hoger.
- Staatscourant (officieel publicatieblad van de overheid): examenwijzigingen uit 2014 (Externe website, opent in een nieuw tabblad) - Officiële publicatie van het examenprogramma en het reglement: soorten spreekopdrachten, afname op de computer, 30 minuten, beoordeling door mensen en slagen met een 6 of hoger.
- Beoordelingsmodel Spreken A1: versie van 10 augustus 2026 (Externe website, opent in een nieuw tabblad) - Huidig officieel model (PDF, 254 KB): videovragen, zinnen afmaken, een passend antwoord en uitspraak. Bij 0 punten voor een passend antwoord is de uitspraak ook 0 punten. Antwoorden mogen uit één woord bestaan of grammaticafouten bevatten.
- Officieel oefenexamen Spreken A1 van DUO (Externe website, opent in een nieuw tabblad) - In de officiële oefeninstructies stelt een persoon elke videovraag. Volgens Naar Nederland verschillen het echte examen en het oefenexamen alleen in de inhoud van de vragen.