A2 Speaking Practice PDF
Download an A2 speaking practice workbook with one 36-minute Spreken set, 16 one-minute prompts, video-style questions, image prompts, scoring rubric, self-checks, and example answers.
- Fact
- 36 minutes
- Fact
- 16 questions
- Fact
- 129/192 points to pass
How to use this workbook
Run this as a 36-minute timed session: set a phone timer, record each answer for up to one minute, and don't go back. Record your own answer first; only look at the example after you've finished a part. Score with the rubric in batches of four — that's faster and more honest than checking after every question.
- Record one answer for each question.
- You have 1 minute for every answer.
- Use the image or images when the task asks you to use them.
- Do not write a full script before recording. Make a short plan and speak.
How answers are scored
Each answer is worth 12 points across six criteria — execution, vocabulary, grammar, fluency, structure, and pronunciation. The one to remember is execution: if it scores 0 (off-topic, unintelligible, no answer), every other criterion also scores 0 for that question. Aim for 129/192 across the full set as your study target.
Part 1 — Vragen met een video
Opgave 1

Ik ga meestal met de fiets naar mijn werk. Hoe gaat u meestal naar uw werk of school? Vertel ook waarom.
Hoe gaat u meestal naar uw werk of school? Vertel ook waarom.
Geef antwoord op de vraag.
Answer plan
- Say how you travel.
- Say how often or when.
- Give one reason.
Self-check
- Did I answer how I travel?
- Did I give a reason?
- Did I use simple complete sentences?
Show an example answer
Ik ga meestal met de fiets naar mijn werk. Mijn werk is dichtbij, dus dat is makkelijk. Fietsen is ook gezond en goedkoop. Als het slecht weer is, neem ik de bus.
Opgave 2

Ik kook vaak op zondag voor twee dagen. Kookt u vaak thuis? Vertel ook wat u graag kookt.
Kookt u vaak thuis? Vertel ook wat u graag kookt.
Geef antwoord op de vraag.
Answer plan
- Say if you cook often.
- Name one or two dishes.
- Add why you like cooking or not.
Self-check
- Did I say yes or no?
- Did I name food?
- Did I add a reason?
Show an example answer
Ja, ik kook vaak thuis. Ik maak graag rijst met groente en kip. Soms maak ik ook soep, want dat is makkelijk voor twee dagen. Ik vind thuis koken goedkoper dan eten kopen.
Opgave 3

Ik leen graag boeken in de bibliotheek. Gaat u weleens naar de bibliotheek? Vertel ook wat u daar doet.
Gaat u weleens naar de bibliotheek? Vertel ook wat u daar doet.
Geef antwoord op de vraag.
Answer plan
- Say how often you go.
- Say what you do there.
- Add one opinion.
Self-check
- Did I say how often?
- Did I say what I do there?
- Did I add a clear detail?
Show an example answer
Ja, ik ga soms naar de bibliotheek. Ik leen boeken en ik oefen Nederlands op de computer. Het is daar rustig, dus ik kan goed studeren. Mijn kinderen kiezen daar ook boeken.
Opgave 4

Ik bel mijn familie vaak in de avond. Wanneer belt u uw familie of vrienden? Vertel ook waarover u praat.
Wanneer belt u uw familie of vrienden? Vertel ook waarover u praat.
Geef antwoord op de vraag.
Answer plan
- Say when you call.
- Say who you call.
- Say what you talk about.
Self-check
- Did I answer when?
- Did I mention family or friends?
- Did I say what we talk about?
Show an example answer
Ik bel mijn familie meestal in het weekend. Dan hebben we meer tijd. We praten over het werk, de kinderen en plannen voor de vakantie. Soms stuur ik alleen een bericht, want dat gaat sneller.
Part 2 — Vragen met 1 plaatje
Opgave 5

Daan is bij de fietsenmaker.
Wat gebeurt er? Vertel ook waarom Daan daar is.
Gebruik het plaatje.
Answer plan
- Describe the place and people.
- Say what is being repaired.
- Say why Daan is there.
Self-check
- Did I use the picture?
- Did I say what happens?
- Did I explain why Daan is there?
Show an example answer
Daan is bij de fietsenmaker. De fietsenmaker repareert de fiets, want er is iets met het achterwiel. Daan wacht naast de balie. Hij heeft zijn fiets nodig om naar school of werk te gaan.
Opgave 6

Wat doet de vrouw? Vertel ook wanneer u dit doet.
Gebruik het plaatje.
Answer plan
- Say what the woman does.
- Name two visible details.
- Say when you do this.
Self-check
- Did I describe the action?
- Did I include a visible detail?
- Did I say when I do it?
Show an example answer
De vrouw doet de was. Ze stopt kleren in de wasmachine en naast haar staat een mand. Ik doe de was meestal op zaterdag. Dan heb ik tijd om de kleren ook op te hangen.
Opgave 7

Dit is Fatima.
Vertel wat over Fatima. Noem drie dingen.
Gebruik het plaatje.
Answer plan
- Say who she is or where she is.
- Name three visible things.
- Use short sentences.
Self-check
- Did I name three things?
- Did I use the picture?
- Did I keep the answer clear?
Show an example answer
Fatima staat bij de tramhalte. Ze heeft een rugzak en een paraplu. Het regent, dus ze wacht droog onder het hokje. Misschien gaat ze naar haar werk of naar school.
Opgave 8

Mila werkt in de tuin.
Vertel wat Mila doet. Vertel ook wat u van dit werk vindt.
Gebruik het plaatje.
Answer plan
- Describe the work.
- Mention the place or objects.
- Give your opinion.
Self-check
- Did I say what Mila does?
- Did I mention the plants or balcony?
- Did I give my opinion?
Show an example answer
Mila geeft water aan de planten. Ze staat op een balkon met veel groene planten. Ik vind dit leuk werk, want planten maken een huis mooi. Maar in de winter doe ik dit minder vaak.
Part 3 — Vragen met 2 plaatjes
Opgave 9

Plaatje 1

Plaatje 2
Welke sport doet u liever? Vertel ook waarom.
Kies een van de plaatjes.
Answer plan
- Choose picture 1 or 2.
- Name the sport.
- Give one or two reasons.
Self-check
- Did I clearly choose one picture?
- Did I say why?
- Did I add a personal detail?
Show an example answer
Ik kies plaatje 1. Ik zwem liever, want ik vind water fijn. Zwemmen is goed voor mijn lichaam en ik krijg geen pijn aan mijn knie. Ik ga graag in de ochtend zwemmen.
Opgave 10

Plaatje 1

Plaatje 2
Waar spreekt u liever af? Vertel ook waarom.
Kies een van de plaatjes.
Answer plan
- Choose the cafe or the park.
- Say why that place is better.
- Add when or with whom.
Self-check
- Did I choose one place?
- Did I give a reason?
- Did I answer in complete sentences?
Show an example answer
Ik spreek liever af in het cafe. Daar kunnen we rustig zitten en praten. Als het koud is, is het binnen ook prettig. Ik drink graag koffie met een vriend na mijn werk.
Opgave 11

Plaatje 1

Plaatje 2
Wat koopt u liever? Vertel ook voor wie het cadeau is.
Kies een van de plaatjes.
Answer plan
- Choose the book or flowers.
- Say who receives it.
- Say why it is a good gift.
Self-check
- Did I choose one gift?
- Did I say for whom?
- Did I explain why?
Show an example answer
Ik koop liever bloemen. Het cadeau is voor mijn buurvrouw, want zij heeft mij geholpen. Bloemen zijn vrolijk en ze ruiken lekker. Ik doe er ook een kleine kaart bij.
Opgave 12

Plaatje 1

Plaatje 2
Hoe leert u liever? Vertel ook waarom.
Kies een van de plaatjes.
Answer plan
- Choose classroom or online learning.
- Give a reason.
- Add when or how often you study.
Self-check
- Did I choose one learning style?
- Did I give a personal reason?
- Did I mention study time or habit?
Show an example answer
Ik kies plaatje 2. Ik leer liever online, want dan kan ik thuis oefenen. Ik heb overdag weinig tijd, dus ik studeer vaak in de avond. Soms vind ik een klas ook gezellig.
Part 4 — Vragen met 3 plaatjes
Opgave 13

Plaatje 1

Plaatje 2

Plaatje 3
Vertel wat Ruben doet. Vertel iets over alle plaatjes.
Gebruik alle plaatjes.
Answer plan
- Use first, then, finally.
- Say one sentence for each picture.
- Explain why these actions are useful.
Self-check
- Did I use all three pictures?
- Did I use order words?
- Did I explain at least one reason?
Show an example answer
Eerst pompt Ruben zijn band op, want de band is zacht. Daarna controleert hij de lampen van zijn fiets. Dat is belangrijk in het donker. Ten slotte zet hij de fiets goed op slot bij het rek.
Opgave 14

Plaatje 1

Plaatje 2

Plaatje 3
Vertel wat Sara doet. Vertel iets over alle plaatjes.
Gebruik alle plaatjes.
Answer plan
- Say what the event is.
- Describe each preparation.
- Use sequence words.
Self-check
- Did I mention the birthday?
- Did I describe all preparations?
- Did I connect the sentences?
Show an example answer
Sara organiseert een verjaardag. Eerst schrijft ze uitnodigingen voor familie en vrienden. Daarna koopt ze een taart bij de bakker. Ten slotte maakt ze de kamer mooi met slingers, zodat het feest gezellig wordt.
Opgave 15

Plaatje 1

Plaatje 2

Plaatje 3
Vertel wat Mehmet doet. Vertel iets over alle plaatjes.
Gebruik alle plaatjes.
Answer plan
- Say where Mehmet goes.
- Describe what he does before, during, and after.
- Mention the letter, desk, and form.
Self-check
- Did I mention all three pictures?
- Did I explain the situation?
- Did I use clear verbs?
Show an example answer
Mehmet leest eerst een brief met een afspraak. Daarna gaat hij naar het gemeentehuis en praat hij met een medewerker aan de balie. Ten slotte tekent hij een formulier. Ik denk dat hij iets moet regelen voor zijn adres of paspoort.
Opgave 16

Plaatje 1

Plaatje 2

Plaatje 3
Vertel wat Lina doet. Vertel iets over alle plaatjes.
Gebruik alle plaatjes.
Answer plan
- Say that the child is sick.
- Describe each action.
- Add why she calls.
Self-check
- Did I describe all three pictures?
- Did I say why Lina calls?
- Did I use a logical order?
Show an example answer
Lina zorgt voor haar zieke zoon. Eerst meet ze zijn temperatuur, want hij voelt warm. Daarna geeft ze hem water en soep. Ten slotte belt ze de school om te zeggen dat hij vandaag niet kan komen.
Final checklist
- I answered each prompt in Dutch for up to 1 minute.
- I used visible details from the picture prompts.
- I chose one picture in the two-picture questions.
- I talked about all three pictures in the final section.
- I gave reasons with want or omdat where the question asked why.
Practise this skill in the app
Download the PDF, then jump into interactive practice for grading and feedback.