hebben or zijn? Choosing the perfect-tense auxiliary
When the Dutch perfect tense uses zijn instead of hebben β the rule for movement and change of state.
The Dutch present perfect is built from a helper verb plus a past participle: Ik heb gewerkt. (I have worked.) The helper is usually hebben (to have), but a set of verbs takes zijn (to be) instead: Zij is naar huis gefietst. (She cycled home.) This page shows how to pick the right one.
When do you use zijn instead of hebben?
Use zijn when the verb describes a movement to a goal or a change of state; use hebben for everything else. Most verbs take hebben, so treat zijn as the special case you learn by heart.
Two groups of verbs take zijn:
- Verbs of movement toward a destination: gaan (to go), komen (to come). Ik ben naar de winkel gegaan. (I went to the shop.)
- Verbs that show a change of state β the subject becomes something new, begins, ends, or dies: worden (to become), beginnen (to begin), gebeuren (to happen), sterven (to die). De film is begonnen. (The film has started.)
A few very common verbs take zijn and are worth memorising as a fixed list:
| Infinitive | Past participle | Example |
|---|---|---|
| zijn (to be) | geweest | Ik ben in Parijs geweest. (I have been to Paris.) |
| gaan (to go) | gegaan | Hij is naar huis gegaan. (He went home.) |
| komen (to come) | gekomen | Ze is te laat gekomen. (She arrived late.) |
| blijven (to stay) | gebleven | We zijn thuis gebleven. (We stayed home.) |
| worden (to become) | geworden | Hij is ziek geworden. (He got ill.) |
| beginnen (to begin) | begonnen | De les is begonnen. (The lesson has begun.) |
| gebeuren (to happen) | gebeurd | Er is een ongeluk gebeurd. (An accident happened.) |
Notice that zijn is its own past participle-helper: the perfect of zijn is ben ... geweest, not heb ... geweest.
Movement verbs: direction decides
Verbs like lopen (to walk), fietsen (to cycle), rijden (to drive), zwemmen (to swim) and vliegen (to fly) can take either helper. The direction of the action decides.
- A destination or direction is named β zijn: Ik ben naar het station gelopen. (I walked to the station.)
- No destination, just the activity or how long it lasted β hebben: Ik heb twee uur gelopen. (I walked for two hours.)
The same verb can go both ways: Ze heeft de hele middag gefietst (She cycled all afternoon) but Ze is naar Utrecht gefietst (She cycled to Utrecht).
Verbs that always take hebben
Two kinds of verb keep hebben even when they seem to describe movement or change.
- Transitive verbs β verbs with a direct object (something the action is done to): Ik heb de deur gesloten. (I closed the door.) Compare the same verb without an object, which describes a state: Het cafΓ© is gesloten. (The cafΓ© has closed.)
- Reflexive verbs β verbs used with me, je, zich: Ik heb me gewassen. (I washed myself.) Hij heeft zich vergist. (He made a mistake.)
Mistakes to avoid
English speakers reach for hebben everywhere, because English uses only have (I have gone, I have become). Watch the zijn-verbs above: Ik ben gegaan, not ik heb gegaan; Hij is geworden, not hij heeft geworden. When you are unsure with a movement verb, ask whether a destination is named β if it is, use zijn.
- Vul in: *Wij ___ gisteren naar het strand gegaan.*
- hebben
- zijn
- hadden
- waren
*Gaan* is a movement verb with a destination (*naar het strand*), so it takes **zijn** in the present perfect β *We zijn ... gegaan.*
- Which sentence is correct?
- Ik ben me gewassen.
- Ik heb me gewassen.
- Ik ben mij wassen.
- Ik heb me geweest gewassen.
*Zich wassen* is reflexive (used with *me*), and reflexive verbs always take **hebben** β *Ik heb me gewassen.*
- Vul in: *Ik ___ vanmorgen een uur gezwommen.* (no destination named)
- ben
- was
- heb
- had
*Zwemmen* names no destination here, only how long, so it takes **hebben** β *Ik heb ... gezwommen.* With a goal (*Ik ben naar de overkant gezwommen*) it would take *zijn*.
- Which verb takes *zijn* in the perfect tense?
- werken (to work)
- kopen (to buy)
- lezen (to read)
- gebeuren (to happen)
*Gebeuren* describes a change/event, so it takes **zijn**: *Er is iets gebeurd.* The other three take *hebben*.
- Spot the error: *Het is een mooie dag geweest. Daarna heb ik ziek geworden.*
- *geweest* should be *gehad*
- *heb ik ziek geworden* should be *ben ik ziek geworden*
- *Daarna* is in the wrong place
- nothing is wrong
*Worden* shows a change of state and takes **zijn**, so it must be *ben ik ziek geworden*, not *heb*.
Test yourself
Question 1 of 5
Vul in: Wij ___ gisteren naar het strand gegaan.