niet or geen? How to negate a Dutch sentence
Dutch has two words for negation: geen negates a noun that has een or no article, and niet negates everything else.
To say not in Dutch you reach for one of two words. niet is the everyday not: Ik werk niet. (I am not working.) geen means no / not a / not any and only ever negates a noun: Ik heb geen auto. (I have no car / I don't have a car.) Picking the right one is the whole skill on this page.
How to choose between niet and geen
Use geen to negate a noun that has een or no article at all; use niet for everything else. A quick test: if the positive sentence would use een or nothing in front of the noun, negate it with geen β think of geen as een turned negative.
- Look at what you are negating. Is it a noun?
- If yes, check its article. Does it have een, or no article (a bare singular, a bare plural, or an uncountable like geld or koffie)? Then use geen: Ik heb geen tijd. (I have no time.)
- If the noun instead has de/het, a demonstrative (deze, die, dit, dat), a possessive (mijn, jouwβ¦), or is a name, use niet: Ik ken die man niet. (I don't know that man.)
- If you are not negating a noun at all β a verb, an adjective, an adverb, a prepositional phrase β use niet: Ik ga niet. (I'm not going.)
| Positive | Negative | Which word |
|---|---|---|
| Ik heb een fiets. (I have a bike.) | Ik heb geen fiets. (I don't have a bike.) | geen β noun with een |
| Ik drink koffie. (I drink coffee.) | Ik drink geen koffie. (I don't drink coffee.) | geen β noun, no article |
| We hebben kinderen. (We have children.) | We hebben geen kinderen. (We have no children.) | geen β bare plural |
| Ik lees het boek. (I'm reading the book.) | Ik lees het boek niet. (I'm not reading the book.) | niet β noun with het |
| De soep is warm. (The soup is warm.) | De soep is niet warm. (The soup isn't warm.) | niet β adjective |
| Hij komt vandaag. (He's coming today.) | Hij komt vandaag niet. (He isn't coming today.) | niet β verb/adverb |
When to use geen
geen negates a noun that carries een in the positive sentence, or no article at all.
- A countable noun that had een: een hond β geen hond. Ze heeft geen hond. (She doesn't have a dog.)
- A bare plural (English any): Ik heb geen vrienden in Utrecht. (I have no friends in Utrecht.)
- An uncountable noun with no article: Er is geen melk meer. (There's no more milk.) Also geld (money), tijd (time), honger (hunger).
- Languages and bare quantities: Ik spreek geen Spaans. (I don't speak Spanish.)
- geen replaces the article, so you never write geen and een/de/het together: say geen boek, never geen een boek.
When to use niet
niet is the default not. Use it for anything that is not an een-noun. For where exactly niet sits in the sentence, see where niet goes in a Dutch sentence.
- To negate a verb / the whole action: Ik begrijp het niet. (I don't understand it.)
- To negate an adjective or adverb: Het is niet duur. (It isn't expensive.) Hij rijdt niet snel. (He doesn't drive fast.)
- To negate a definite noun β one with de/het, deze/die/dit/dat, a possessive, or a name: Ik zie de bus niet. (I don't see the bus.) Ik ken Anna niet. (I don't know Anna.)
- To negate a prepositional phrase: Ze gaat niet naar het feest. (She isn't going to the party.)
Mistakes to avoid
English speakers turn I don't have a car straight into Ik heb niet een auto. That mirrors English but is wrong in Dutch: when the noun would take een, the negation is geen, and it swallows the article: Ik heb geen auto. The same trap hits bare nouns β not Ik drink niet koffie but Ik drink geen koffie. Whenever een or no article sits in front of the noun you want to negate, switch to geen. More on which nouns take een or no article at all in een and when Dutch drops the article.
- Vul in: *Ik heb ___ tijd vandaag.* (I have no time today.)
- niet
- geen
- geen een
- niet een
*tijd* (time) is an uncountable noun with no article, so it is negated with *geen* β *Ik heb geen tijd.*
- Which sentence is correct?
- Ik lees geen het boek.
- Ik lees het boek niet.
- Ik lees niet het boek.
- Ik lees het boek geen.
*het boek* is a definite noun (it has *het*), so you negate with *niet*, placed after the object β *Ik lees het boek niet.*
- Vul in: *Zij heeft ___ auto.* (She doesn't have a car.)
- niet een
- niet
- geen
- een geen
The positive sentence is *Zij heeft een auto*, so the negation is *geen*, which replaces *een* β *Zij heeft geen auto.* Never combine *geen* with *een*.
- Why is *De soep is geen warm* wrong?
- *warm* is an adjective, not an *een*-noun, so it takes niet
- *soep* is a het-word
- *geen* must come at the end
- you need *niet een* here
*geen* only negates a noun with *een* or no article. Here you are negating the adjective *warm*, so use *niet* β *De soep is niet warm.*
- Which sentence uses geen correctly?
- Ik ken geen Anna.
- Ik drink geen koffie.
- Ik ga geen naar huis.
- Ik zie geen de bus.
*koffie* is a bare, uncountable noun, so *geen* fits β *Ik drink geen koffie.* A name (*Anna*), a direction phrase (*naar huis*), and a definite noun (*de bus*) all take *niet* instead.
Test yourself
Question 1 of 5
Vul in: Ik heb ___ tijd vandaag. (I have no time today.)